Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

01/31/2011: "BLOEDLOZE RECHTSOPVATTING"

Malberg (75k image)

Het recht is geen verschijnsel waarvoor je in anarchistische kring de handen op elkaar krijgt. Daar hebben maatschappij-inrichters en juristen het dan ook naar gemaakt. Het recht wordt verweten te dienen ter beveiliging van posities die door heersende machten worden ingenomen. Hoe krijgt men dat toch steeds weer voor elkaar, want het is niet van vandaag of gisteren.

Klik op meer.


Een voor de hand liggend antwoord op die vraag is: in de loop van vele eeuwen heeft men kans gezien om mensen in het recht te laten ‘geloven’. Recht ‘openbaart’ zich dan ook in de vorm van geseculariseerde religie. Rechters en advocaten dragen niet voor niets pastoorachtige pijen. Bij de binnenkomst van de rechter in de rechtszaal, moet het volk, net als in de roomse kerk, zich van zijn zetel verheffen. Eerbied voor de Heer, pardon, voor het Recht…

Die geseculariseerde religie heeft men op de meest uiteenlopende wijzen aan de man gebracht. Een van die wijzen is bekend onder de naam (rechts)positivisme. Aan deze wijze van rechtsdenken wordt gebruikelijk de naam van de grote Duitse jurist en rechtspositivist Hans Kelsen (1881-1973) verbonden, die op zoek was naar het ‘zuivere recht’.

De Franse jurist Carré de Malberg (1861-1935) heeft op enig moment gemeend, dat hij een nog vernuftiger fundering van het recht dan Kelsen had gevonden. De Franse politicoloog Didier Mineur ontleedt de denkbeelden van Malberg in zijn onlangs verschenen boek ‘Le positivisme impossible’ (Het onmogelijke positivisme). De titel spreekt boekdelen.

Mineur gaat in op drie hoofdaspecten in het werk van Malberg, te weten de problematiek van: (a) legaliteit en legitimiteit, (b) volksvertegenwoordiging en (c) ‘nationale’ en ‘algemene’ wil, met een uiteindelijke neiging tot directe democratie. Ik besteed aandacht aan deze problematiek omdat die ook heden ten dage speelt.

De positivistische benadering van het recht leert dat er geen recht bestaat buiten de wet. Daarmee zitten we onmiddellijk met de vraag: ‘Wie is dan wel die wetgever?’. Hoe je het antwoord op die vraag ook construeert, altijd kom je uit bij een bron buiten het recht zelf. Wie bijvoorbeeld verwijst naar het natuurrecht, verwijst daarmee ten slotte naar god. Men zou ook naar de maatschappij of de cultuur kunnen verwijzen. Telkens zit je dus buiten het recht. Hooguit weet Baron van Münchhausen dit probleem te omzeilen: aan je eigen haren je uit het moeras van het recht trekken…

Overigens wil ik hier niet onopgemerkt laten dat een redelijk aantal jaren geleden door Ruud Bergamin, Henc van Maarseveen en Hilde Schonk-Swiers een leuk non-positivistisch boekje is gepubliceerd onder de titel ‘De cultuurstaat’ (Deventer, 1976), waarin cultuur en recht op een ‘politieke’ manier met elkaar in verband worden gebracht.

In de ogen van Carré de Malberg moet zo’n tekst een gruwel zijn. Hij probeert zich juist aan zijn haren uit het moeras van het recht te trekken, wat hem uiteraard niet lukt. Hij blijft steken in het type rechtgevende macht van: een parlementaire vertegenwoordiging op grond van algemeen kiesrecht. We kwamen een dergelijk stelsel al heftig gekritiseerd tegen kwamen bij Paul Brousse (zie mijn bespreking van zijn tekst op deze site: http://www.devrije.nl/archives/00003085.html ).

Didier Mineur beschrijft ook hoe Carré de Malberg van idee is veranderd. De wetgevende macht moet in het reëel bestaande volk worden gesitueerd, onder meer met behulp van direct democratische instrumenten, zoals het referendum. Maar hoe verwoed alle pogingen ook zijn om het recht als een uitsluitend juridische categorie te positioneren, het wordt duidelijk dat het om ‘het onmogelijke positivisme’ gaat.

Een andersoortige kritiek die je in het boek niet behandeld vindt, is de maatschappelijke ‘bloedloosheid’ van zo’n rechtsopvatting. Het positivisme van Carré de Malberg zoals bij Mineur beschreven, is ontdaan van elke verwijzing naar bijvoorbeeld de maatschappelijke belangenstrijd die de inhoud van wetten bepaalt. Want zou die niet bestaan, dan zouden wetten (tenminste op de betreffende punten) niet nodig zijn. Spreek bijvoorbeeld over ‘eigendom’ en al direct zal het verschijnsel ‘diefstal’ zich aandienen, met alle (strafrechtelijke) wettelijke reacties weer daarop…

Het is allemaal niet zo ‘neutraal’ als bij het opdienen van de betreffende rechtsopvatting wordt gesuggereerd. Het gaat om een ‘bloedloze’ versie van het recht, waarbij de aanvaardbaarheid ervan geacht wordt in de wet zelf te zitten: legaal=legitiem, wettelijkheid=aanvaardbaarheid.

Maar zo steekt de wereld natuurlijk niet in elkaar. Ook een staat met een dictatuur bijvoorbeeld kent een wetgever die wetten produceert. De gepresenteerde juridische constellatie maakt dat zelfs een nazi-staat een rechtsstaat is. Fascisten zullen in dit geval stellig het ‘legaal=legitiem’ omarmen. Vele anderen zullen dit echter afwijzen. Voor hen geldt: wat legaal is, hoeft daarmee nog niet legitiem, aanvaardbaar, te zijn.

Dan is er ook nog de problematiek dat het positivisme vanuit een opvatting over de staat opereert, die de bestaande staat buiten (kritische) beschouwing laat. Die staat is in feite ook een bloedloos verschijnsel, terwijl het mede een set van instrumenten betreft met ‘onderwerping’ als een van de hoofdfuncties. De wetten die worden geproduceerd staan dus mede in dat teken.

Over welk reëel bestaan hebbend of bestaand staatstype men ook spreekt, onderwerping is steeds het in het oog springende punt (‘gehoorzaamheid’ aan de wet afdwingen). Ooit schreef de Duitse socialist, filosoof, medicus, en econoom, Franz Oppenheimer (1864-1943) daar in 1908 het boekje ‘Der Staat’ over: de staat ontstaan uit veroverings- en onderdrukkingshandelingen. Wil je aan al dit soort zaken voorbijgaan, dan kan je je in het positivisme verschuilen. Maatschappelijk levert het een onmogelijke positie op. Dat is ook na de tweede wereldoorlog erkend.

MINEUR, Didier, Carré de Malberg, Le positivisme impossible, Michalon Éditions, Paris, 114 blz., prijs 10 euro.

1 Reactie


Activisten lopen met briefjes rond met telefoon nummers van advocaten rond. Die advocaten willen wel geld vangen voor hun diensten. Het stikt van de contradicties kortom maar waar ligt de grens. O.k. niet iedere activist is anarchist maar ze / we hebben wel een probleem in meerder opzichten met de macht met de wetten en regels in het algemeen. Verder : een advocaat die veel tijd in een zaak steekt en veel kennis heeft en ervaring kan een groot verschil maken. Je kan dan vrijspraak krijgen. Maar als armoe zaaier krijg je niet zo'n advocaat. Je zit als anarchist in een extra moeilijke situatie. Natuurlijk kan je principieel zijn en als je zonder middelen bent een uitkering weigeren en
bijv. je eigen verdediging voeren enz.
Of het een en ander strategisch inzetten ?
Je eigen verantwoordelijkheid denk ik.

zei: nn op 09/02/2011 om: 22:20u


Powered by Greymatter