Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

01/05/2011: "ALGEMEEN KIESRECHT"

KIES (101k image)

Het gebruik van het algemeen kiesrecht drukt uit dat het volk de hoogste macht binnen een politieke gemeenschap bezit: het volk is soeverein. Klopt dat in de praktijk wel?

Klik op meer.


In anarchistische kring is het niet ongebruikelijk het algemeen kiesrecht als een bourgeois instrument te zien. De gedachte is verre van nieuw. Zo verschijnt er van de hand van de Franse activist Paul Brousse (1844-1912) in 1874 het boekje ‘Le Suffrage universel et le problème de la souveraineté du peuple’. Het is onlangs herdrukt uitgegeven. Het is voorzien van een korte biografie over Brousse en een inleiding op de tekst om de actualiteitswaarde ervan te schetsen. Eerst iets over de auteur.

Paul Brousse stopt met zijn medicijnenstudie om zich volledig op zijn politieke activiteiten te storten. Die beginnen bij zijn radicale republicanisme en lopen uit in deelname aan de Parijse Commune (1871). Hij vlucht naar Spanje (1872) om daar zijn revolutionaire activiteiten te vervolgen. In 1873 vertrekt hij naar Zwitserland om zich bij de anarchistische Jura Federatie aan te sluiten.

In de geest van die Federatie is hij vervolgens weer in Frankrijk actief, waar hij onder meer zijn geschrift over het algemeen kiesrecht (1874) publiceert. In 1878 wordt hij veroordeeld wegens een persdelict tot twee maanden gevangenisstraf en verbanning uit Frankrijk. Hij komt in Londen terecht waar hij met de anarchist Peter Kropotkin samenwerkt ten behoeve van het tijdschrift ‘Le Revolté’.

In de loop van de jaren maakt hij een politieke ontwikkeling door die hem doet verwijderen van het anarchisme. Weer terug in Frankrijk (1880) maakt hij eerst zijn medicijnenstudie af. Hij gaat ijveren voor het socialisme, waarvan hij op den duur praktische mogelijkheden ziet op lokaal niveau. Hij laat zich tot gemeenteraadslid van Parijs kiezen en zal nadien ook een positie in die raad aanvaarden als ‘wethouder’ (1906).

Ik wijs met name op dit laatste, omdat er altijd wel iemand zal zijn, die diens latere politieke activiteit zal inbrengen tegen zijn tekst over het algemeen kiesrecht. Want bewijst die handelwijze niet de onhoudbaarheid van de analyse die hij eerder van enkele ‘algemene begrippen staatsrecht’ maakt? Neen, vind ik, want het gaat om een visie waarvan de waarde los staat van zijn auteur. Samengevat komt die visie op het volgende neer.

Sinds de Franse Revolutie heet het dat het volk soeverein is (‘souveraineté populaire’). Maar op welke manier komt de soevereiniteit van het volk tot uitdrukking? Wie is ten slotte het ‘volk’? Om daar uitdrukking aan te geven is het kiesrechtbeginsel bedacht. Brousse laat zien dat dit alleen als instrument in gebruik is: het gaat er om ‘vertegenwoordiging’ te creëren. Die vertegenwoordiging vestigt weer het mandaat van de uitvoerende macht.

Het kiesrecht wordt dus niet gebruikt als middel om de collectieve wil van het volk te leren kennen. Het is het instrument om een organisme te laten functioneren met de opdracht gehoorzaamheid af te dwingen (door middel van opgelegde wetten).

Het geheel levert een schimmenspel op. Er spelen namelijk nogal wat ficties een rol. Brengt het kiesrecht de collectieve wil van het volk in beeld? Neen. Het kan alleen de wil van een bepaalde meerderheid uitdrukken vanwege een getalsverhouding (‘l’urne électorale’). Daarna speelt dat andere deel van het kiezerskorps geen rol meer. Dat leidt dus tot ‘ostracisme’ (uitstoting), aldus Brousse, van dat deel van het ‘volk’. In het parlementaire systeem leidt dit vervolgens tot eliminatie van ideeën, wat bij de stemmingen over wetgevende producties blijkt (‘l’urne législative’). Het kiesrecht heeft hiermee het idee van de ‘souveraineté populaire’ verbrijzeld.

Dit stelsel plaatst Brousse in de ‘periode van de bourgeoisie’, een periode waarin wij nog steeds leven. Sociale strijd moet leiden tot het ingroeien in een nieuwe periode. Het is goed om hierbij stil te staan. Er zijn namelijk op het politieke speelveld meerdere actoren die algemeen kiesrecht en parlementarisme bestrijden, zoals fascisten.

Brousse zit ten aanzien van die laatsten aan de heel andere kant van het politieke spectrum, te weten de radicaaldemocratische. Bij fascisten is het de staat: ‘alles binnen de staat, niets buiten de staat, niets tegen de staat’ (Mussolini in 1925 in een toespraak te Milaan). Bij Brousse is het de Commune…

Brousse wil het volk opwekken om de mogelijkheid te onderkennen dat het zelf kan handelen. Hij neemt daarbij als organisatorisch uitgangspunt het werk. Iedereen, voor zover relevant, wordt gezien als ‘werker’ (om niet het woord ‘arbeider’ te gebruiken). Dat is meteen het eerste ‘orgaan’ in al zijn autonomie. Dat orgaan is wel autonoom maar niet autarkisch. Het moet samenwerken om te overleven. Die samenwerking leidt tot het tweede orgaan, een collectiviteit: de vakvereniging.

Mensen produceren niet alleen, ze consumeren ook. Tevens vindt er verdeling van goederen plaats; er is een heel sociaal-cultureel leven. Die activiteiten leiden tot het derde orgaan: de sociale commune.

Ten behoeve van het nemen van de basisorganen overstijgende beslissingen, worden federaties opgezet. Het stelsel federeert zich zo tot een federatie van producenten (federatie van vakorganisaties) en een federatie van consumenten (federatie van de commune-organisatie). Het geheel noemt Brousse ‘revolutionair federalisme’.

Inmiddels ruim twintig jaar geleden sprak ik zelf omtrent een zelfde sociaal-politieke structuur over een ‘dubbele intercommunale verbinding’. Ik paste die toe op de Nederlandse situatie (zie mijn boek ‘Recht betreffende lagere rechtsgemeenschappen’, Zwolle, 1987, tweede druk, p. 103-104). Brousse’s betoog uit 1874 is evenwel ingebed in vooral de Franse politieke gebeurtenissen van voor die tijd. Maar de wijze waarop hij daarin zijn visie aanschouwelijk maakt, geeft er actualiteitswaarde aan: een ieder kan er zijn eigen tijdsbeeld in kwijt. De strijd voor invoering van ‘revolutionair federalisme’ is nog steeds open!

BROUSSE, Paul, Le suffrage universel et le problème de la souveraineté du peuple [1874], Éditions Le Flibustier, Marseille, 2010, 92 blz., prijs 9 euro.


Powered by Greymatter