Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

10/26/2010: "DEMOCRATISCHE ONGERUSTHEID (DEEL TWEE)"

Petain (50k image)

In deel één is de ongerustheid mede bekeken vanuit de democratische uitverkoop aan extreem rechtse elementen binnen de Nederlandse politieke situatie. Kan het erger? Het antwoord laat gelet op de Franse politieke situatie niet op zich wachten.

Klik op meer.


Na het overlijden van de Franse filosoof Claude Lefort is er een reeks beschouwingen en commentaren vrij gekomen, die inspelen op een van de hoofdthema’s van hem: totalitarisme. Lefort acht dit het meest belangrijke verschijnsel van ‘onze’ tijd (hij zegt dat in 1978; ik citeer uit zijn ‘Le temps présent. Écrits 1945-2005’, Parijs, 2007). Het betreft een bundel van ruim 1000 bladzijden waarin zijn opgenomen zijn tijdschriftartikelen en interviews met hem.

In één van die interviews zegt hij: ‘Natuurlijk is het aangenamer te leven in een burgerlijke democratie dan onder een totalitair regiem. Dat is een eenvoudige constatering. Hetgeen we moeten trachten te achterhalen is waarom de burgerlijke democratie een totalitaire ideologie kan laten ontstaan…’ (p. 346).

Deze problematiek laat geen eenduidig antwoord toe vanwege de grote maatschappelijke complexiteit. Het is dan ook meer een zaak van ‘waakzaamheid’. Welke elementen eisen vooral die waakzaamheid op? Eén van de hierboven bedoelde beschouwingen levert daarvoor een mogelijk antwoord. Het betreft een artikel van een psychoanalyticus, Gérard Miller, in Le Monde van 16 oktober 2010. Daarin zegt hij dat ‘Vichy’ ertoe dient het ‘pétainisme’ (afgeleid van de naam Pétain) te laten verdwijnen. Waar heeft hij het over?

‘Vichy’ is de verwijzing naar het gelijknamige Franse stadje waar de met de Duitsers collaborerende Franse regering tijdens de bezetting in WO II zetelt. De leider van die regering is de Franse maarschalk Ph. Pétain (1856-1951). Door een fixatie op ‘Vichy’, dus op het instituut collaborerende regering, kan men betogen dat met de bevrijding, dit instituut wordt verwijderd uit het politieke landschap. Daarmee lijkt de lucht geklaard. Maar is daarmee al het ‘foute’ denken ook geëlimineerd? Is dat niet iets dat al dan niet in de geesten van mensen huist: al voor de oorlog, vanzelfsprekend tijdens de oorlog, en ook na de oorlog. Met betrekking tot dat denken spreekt Miller over het ‘pétainisme’. Het is dus zaak om ons niet om de tuin te laten leiden door een quasi verandering zoals het verwijderen van een uiterlijk merkteken (‘Vichy’).

Het pétainisme betreft een reactionaire, autoritaire ideologie, nationalistisch en vaak ook antisemitisch van aard, met een afkeer van socialisme en communisme, met in het vaandel: arbeid, gezin, vaderland. Millers stelling is: het pétainisme is niet gelijk aan ‘Vichy’, het bestond er al voor en het is daarna niet verdwenen!

Het is in dat geval niet toevallig, zo stelt Miller, dat de meerderheid van de leden van de Vichy-regering voordien hoge posten bezet en na de oorlog daar weer kan terugkeren. Wie de moeite neemt de jaarboeken van de grote burelen van de Franse staat van 1939 tot 1946 na te pluizen, komt tot de ontdekking dat een essentieel deel van deze functionarissen steeds op de zelfde posten is blijven zitten!

De mentaliteit die als pétainisme is te typeren beheerst nog steeds de Franse politiek. Het spoort met wat Lefort een ‘constante’ in de Franse politiek noemt (zie deel één). Voor Miller is het dan ook niet verwonderlijk dat politiek ‘rechts’ op een aantal punten ‘extreem rechts’ heeft ingehaald, zonder dat het er in is opgegaan.

Onderhuids speelt dus iets bij mensen dat maakt dat zij voor bepaalde, politieke, elementen gevoelig zijn. Wie heeft ooit gedacht dat Pétain collaborateur kon zijn. Pétain die de Duitsers bestrijdt als Franse generaal tijdens WO I. Onlangs is nog aan het licht gekomen dat Pétain wel degelijk ook een antisemitische visie heeft gehuldigd.

Dat Pétain zich als collaborateur kon ontpoppen is tot daar aan toe. Men heeft het zelfs, gelet op zijn hoge leeftijd, geweten aan seniliteit. Maar wat als het om iemand gaat als de gewezen Franse socialistische president François Mitterrand?

‘Na Vichy, Algerije. Na een ferme handdruk van Pétain, het guillotineren van Algerijnse verzetsstrijders’. Zo opent een paginagroot artikel van Le Monde van 15 oktober 2010 over de doodstraf en Mitterrand. De geciteerde openingszin verwijst enerzijds naar de collaborerende rol die Mitterrand heeft gespeeld voor het Vichy regiem. Anderzijds verwijst die zin naar de rol die hij in de beginjaren vijftig vervult, als minister, eerst van binnenlandse zaken daarna van justitie, om de Algerijnse bevrijdingsstrijd in Algerije te breken. Daarover gaat ook het recente boek van B. Stora en F. Malye getiteld ‘François Mitterrand et la guerre d’Algérie’ dat overvloedig gebruikt is voor het bovengenoemde artikel.

Mitterrand blijkt heel strijdlustig. Hij aarzelt niet om in 1954 tienduizenden soldaten en mobiele eenheden naar Algerije te sturen, om aldaar de ‘orde te handhaven’. Dat levert natuurlijk geen vrede, maar juist ‘oorlog’ op – zoals dat altijd en overal gaat in het groot, in het klein, in het buitenland en binnenland.

Het kan dus niet uitblijven dat het parlement ‘bijzondere bevoegdheden’ aan de Franse president verstrekt (maart 1956) op grond waarvan Mitterrand decreten met ‘bijzondere bevoegdheden’ tekent. Een voorganger van hem weigert nog een dergelijk soort uitvoering omdat deze er het kwaad van de ‘ontkenning van het recht op verdediging’ in ziet: een militair tribunaal kan zonder noemenswaardige procesgang de doodstraf – ook voor gewone burgers – uitspreken.

Het blijkt dat er periodes zijn geweest dat er per dag letterlijk vijf hoofden rollen, in Parijs, in Algiers, onder de guillotine. Mitterrand, openlijk een verklaard tegenstander van de doodstraf, weet daar niets van? Het recent gepubliceerde (archief) onderzoek leert anders. In 80% van de onderzochte gevallen heeft Mitterrand voor akkoord getekend.

Overigens, en dat is iets om ook anderszins van te leren: zelfs een dergelijke grootschalige toepassing van de doodstraf is zonder resultaat gebleven als het gaat om ‘veiligheid’ in het land te brengen. Verre van het terugdringen van het geweld, verhevigde de werking van de guillotine dit!

Hoe kan het bestaan dat tijdens de aanloop van de Franse presidentsverkiezingen in 1981 zoveel stilzwijgen is te constateren over de ‘Algerijnse jaren’ van Mitterrand? In Le Monde daarover: de communistische parlementariërs zwijgen omdat zij voor het verlenen van de bijzondere bevoegdheden hebben gestemd. En ‘rechts’, waar blijft dat? Dat voelt slechts een nostalgie naar het Franse Algerije en heeft om die reden de voormalige minister van justitie niets te verwijten.

Ook de gaullisten willen vanuit overwegingen op grond van verkiezingstactiek geen discussie over Algerije riskeren juist omdat de onafhankelijkheid van Algerije tenslotte door de Generaal (De Gaulle) is gewild… De socialist Mitterrand wint de verkiezingen uiteindelijk, zoals iedereen weet.

Over Mitterrand leert het dat deze man multi-inzetbaar is, net als iemand als M. Papon (1910-2007), die als hoge Franse politieofficier in 1942-1944 de deportatie van joden in Frankrijk leidt. Geeft niet… Integendeel. Want in de jaren zestig kan hij dienen als hoge politieofficier in Parijs. Daar laat hij een protestdemonstratie tegen de oorlog in Algerije uiteen slaan. Resultaat: ongeveer 200 demonstranten vinden de dood…

Wie denkt dat het met Mitterrand tijdens zijn presidentsschap anders zou zijn, vergist zich. De Franse geheime dienst heeft als ‘missie’ de ‘Rainbow warrior’, het actieschip van Greenpeace tot zinken te brengen. Het ligt gemeerd in de haven van Auckland (Nieuw Zeeland) om actie te voeren tegen de Franse atoombomproeven (1985). Missie volbracht. Één dode Nederlandse fotograaf te betreuren. Verdronken. Mitterrands paraaf staat onder de opdracht voor de missie…

Welke lering is mogelijk uit dit soort politieke gescharrel te trekken voor de Nederlandse situatie? Daarover meer in deel drie.

Wordt vervolgd.

Zie deel één op deze site
Beeldmateriaal ontleend aan Siné Hebdo nr. 37, 20 mei 2009.

2 Reacties


oke
Wederom een uitstekende analyse. Machthebbers blijken in de praktijk van hun machtsuitoefening heel vaak en zeer snel te zwichten voor Realpolitik... Dit moet zelfs niet-anarchisten aan het denken zetten, zou je denken. De werkelijkheid is helaas anders...

Blijf vooral doorgaan met dit werk, Thom.

zei: Jan Bontje op 26/10/2010 om: 14:04u

De affaire-Papon van 17 oktober 1961 is nog veel ernstiger, temeer daar de aanhang van Papon later nog heeft geprobeerd Franse archivarissen in de gevangenis te krijgen die assisteerden bij het onderzoek naar die zaak. De demo was feitelijk van Algerijnen zelf die op bevel van Papon collectief huisarrest kregen en daartegen een geweldloze demonstratie hielden. Papons mannen schoten met machinegeweren op de menigte en het aantal doden is nog steeds niet volledig bekend. 200 is een lage schatting.
Zie verder Andere Tijden van 23 oktober 1961
http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/4170395/

zei: jan bervoets op 26/10/2010 om: 15:00u


Powered by Greymatter