Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

12/09/2009: "ANARCHISTEN TEGEN DE DERDE FRANSE REPUBLIEK"

Contre (73k image)

Anarchisten waren altijd al tegen de staat, daar zij opgelegd gezag en onderdrukking verwerpen. En de Franse staat in zijn gedaante van de Derde Republiek maakt daarop geen uitzondering. Het verzet uit anarchistische kring tegen deze Republiek werd door de autoriteiten van toen mede gezocht in het mogelijke bestaan van een ‘anarchistische misdadige organisatie’. Daarmee hebben we in eens een actueel onderwerp bij de horens, zo lijkt het...

Klik op meer.


Uit het omvangrijke proefschrift van de Fransman Vivien Bouhey, getiteld ‘Les Anarchistes contre la République’ (Anarchisten tegen de Republiek) blijkt niet dat de auteur aan de actualiteit heeft gedacht. Maar onwillekeurig denkt men bijvoorbeeld toch aan alles wat er zich rond de ‘affaire Tarnac’ afspeelt (zie de site van de ondersteuningsgroep: http://www.soutien11novembre.org/ ).

Wat is het uitgangspunt geweest om een proefschrift, waarvan de handelsuitgave bijna 500 pagina’s telt, over de Franse anarchisten uit de periode 1880-1914 te schrijven? Een proefschrift dat in zijn oorspronkelijke staat doorloopt tot pag. 1316 (!)...

In een afstudeerscriptie uit 1969 wordt de zienswijze weerlegt, dat de anarchistische ‘beweging’ een organisatie van los zand is. Die weerlegging stoelt mede op grond van politierapporten (!) en andere overheidsstukken. Het zou gaan om een relatief hechte beweging. Er wordt dan ook gesproken over anarchistische netwerken, die ‘ondergronds’ acties voorbereiden, etc

Jean Maitron gaat daar met zijn uit twee delen bestaande boek getiteld ‘Le Mouvement anarchiste en France’ (uit 1975) vervolgens tegenin. Er bestaat niet zo iets als een anarchistische ‘association de malfaiteurs’. De mensen van het ‘anarchisme van de daad’ (want daarop wordt vooral gefocust), bedreven individuele handelingen. Einde debat.

Welnu, dit doodgelopen debat ligt ten grondslag aan het promotieonderzoek van Bouhey. Hij moet daarvoor vele jaren hebben doorgebracht in de archieven van politiebureaus en gemeentehuizen, van departementale archieven, van de archieven van de Prefectuur van de politie van Parijs, etc. Daar moet hij hebben aangetroffen de verslagen van politiemensen, van infiltranten, van overlopers, van verhoren van verdachten, etc. Maar welke graad van betrouwbaarheid mag men aan dat soort stukken hechten voor het doen van welk soort uitspraken? Verder besteedt Bouhey veel aandacht aan alle bladen en blaadjes die in de onderzochte periode zijn verspreid.

Bouhey volgt daarbij het spoor van het onderzoek dat de hierboven bedoelde scriptieschrijver uit 1969 volgde. Door middel van het genoemde archiefonderzoek wordt door Bouhey getracht het sociologische profiel van de militanten te achterhalen. Vervolgens wordt de beweging in kaart gebracht, zoals die op grond van de informatie uit de anarchistische tijdschriften en de het archief van de Parijse prefectuur valt te ontcijferen. Daarna wordt de anarchistische theorie ontleed, mede aan de hand van teksten van intellectuele anarchisten. De laatste onderzoeksactiviteit stelt niet veel voor en wat het sociologisch profiel aangaat: de aantallen waarom het gaat zijn te gering en de onderlinge, individuele verschillen zijn te groot om tot een sociologisch profiel te komen.

Nadat de ‘anarchistische populatie’ is omschreven (1), de ‘structuur van de beweging’ is vastgelegd (2) en de ‘anarchistische gedachte’ vastgesteld (3) (althans dat denkt Bouhey te hebben gedaan), moet aan dit alles nog worden ontleend welk soort actie door anarchisten wordt voorgestaan (4) (natuurlijk ook te divers om iets eenduidigs over te zeggen). Het gaat hier met ander woorden om een vierslag. Dit type onderzoek, die vierslag dus, wordt voor drie periodes herhaald (1880-1890; 1890-1894; 1895-1914). Heel veel werk, weinig diepgang.

De algemene conclusie is daar dan ook naar. Bouhey ontleent aan zijn werk het bestaan in de bedoelde periode van een ‘hoofd’ van de beweging, een soort anarchistisch uitvoerende instantie voor Frankrijk (zelfs voor heel West Europa), zetelend in Parijs en Lyon, en ook, maar dan in ballingschap, in Londen en Genève, als de ‘keuken’ van de partij (p. 443). Dit is te gek voor woorden: het bewijs voor het bestaan van zulke bevelslijnen wordt op geen enkele wijze geleverd. Het wordt bedacht, verondersteld, door Bouhey.

Kortom, we zijn niet verder gekomen in een toch al doodgelopen debat, rond 1975. De waarde van het werk gaat niet verder dan het zijn van een vindplaats van heel veel weetjes waarop een gemiddelde, geïnteresseerde lezer van libertaire teksten niet zal zitten te wachten.

BOUHEY, Vivien, Les Anarchistes contre la République, Contribution à l’histoire des réseaux sous la Troisième République (1880-1914), uitgeven door Presses Universitaires de Rennes, Rennes, 2008; 491 blz., prijs € 24.


Powered by Greymatter