Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

08/04/2009: "Zij die gaat sterven groet u"

Luguber, om zo'n kop te maken. Maar zo is het wel.
Een interview met Saskia Poldervaart, docente vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam. Saskia is stervende aan hersentumor en blikt terug en vooruit.

Zou er nog tijd of gelegenheid zijn haar uit te leggen dat "anarchisme" niet betekent: "geen regels"? en dat we wel uitstekend buiten de staat kunnen?
Niet dat het veel uitmaakt want zij heeft het hart steeds op de juiste plaats gehad.
200px-Phalanxary_colt_nj (8k image)
Fourieristisch gemeenschapshuis New Jersey, VS - het zogeheten utopisch-socialisme is een van de specialismen van Saskia Poldervaart

Klik op meer

Saskia Poldervaart (63) heeft een leven lang actie gevoerd. Vanaf eind jaren zestig tot begin jaren tachtig stond ze zo’n beetje dagelijks op de barricaden. Voor de democratisering van het
wetenschappelijk onderwijs, tegen de Vietnamoorlog of om bevrijdingsbewegingen in de derde wereld te steunen. En, bovenal, voor de rechten van vrouwen. Ze ging de straat op, sloot zich aan bij actiecomités, zamelde dekens in voor het verzet in Angola, roerde zich in de vakbond, bezette gebouwen, richtte scholingsgroepen op en sprak menigten toe. Ze ging de deur niet uit zonder pamflet en handtekeningenlijst. De ene keer tegen de bombardementen op Hanoi, dan weer voor Baas in eigen buik. Als eerste nam ze haar kind mee naar het werk; de crèche had geen plaats. Op de Nijmeegse universiteit schrokken ze zich rot.

Vanaf 1980 manifesteerde ze zich meer op wetenschappelijk gebied. Het werd een zoektocht naar alternatieven voor het traditionele gezin. Het proefschrift Tegen conventioneel fatsoen en zekerheid – het uitdagende feminisme van de utopisch socialisten, meer dan honderd wetenschappelijke artikelen en een paar boeken waren het resultaat. Haar actiebereidheid bleef
groot. Waar veel wapenbroeders en -zusters afhaakten of op zijn minst inbonden, bleef Poldervaart haar idealen trouw. Opgewekt, niet verbeten of gelijkhebberig, maar wel standvastig. Aan de vooravond van haar dood – Poldervaart heeft hersenkanker – blikt ze terug.

‘Ikwas op een verjaardagsfeestje in de Jordaan, januari 1970, waar een pamflet van Dolle Mina rondging. Daarin stond: ‘Waar is oprechter trouw dan tussen man en vrouw’ – je weet wel, van Vondel – en daar voegde Dolle Mina aan toe: ‘Maar wie haalt het haardotje uit de gootsteen? Vrouwen zijn de witte negers van de wereld.’ Een paar mannen werden verschrikkelijk boos. Hoe halen ze het in hun hoofd, die wijven? Progressieve, aardige mannen hadden het ineens over wijven. Ik begreep niets van die woede, het leek wel haat. Ik was meteen nieuwsgierig en dacht: morgen ga ik langs bij Dolle Mina. Als het zoveel agressie opwekt, is er kennelijk iets aan de hand met die mannen. Zo ben ik in het feminisme gerold.

Feminisme is voor mij dat je je verzet tegen alle vormen van hiërarchische verhoudingen. Ik heb moeite met het feminisme van Heleen Mees, die alleen oog heeft voor de man-vrouwverhou
ding.Zij vindt dat allochtone vrouwen bij witte vrouwen thuis de boel kunnen schoonmaken, want witte vrouwen moeten hogerop; ze zijn te belangrijk om dat ‘laagwaardige werk’ te doen. Allochtone vrouwen zijn kennelijk pas later aan de beurt.

Dolle Mina was leuk, geestig en ondeugend. Bij Margriet drongen we met emmers en poetslappen binnen en zijn we ramen lappend door het gebouw getrokken. ‘Poetsen, poetsen, poetsen, poetsen, want dat vindt Margriet de belangrijkste taak van de vrouw’, riepen we. Wij vonden Margriet een vreselijk truttenblad, met zijn receptjes en huishoudelijke tips. Aan veel demonstraties voor de legalisering van abortus heb ik meegedaan. Ik had zelf een traumatische abortus achter de rug. Ik was 19, net in Amsterdam, net een studiebegonnen, daar kon ik geen kind bij hebben. Mijn vriendje zei: sorry, mijn probleem is het niet, en nam de benen. Ik ben wel vijf, zes artsen afgegaan. Allemaal zeiden ze: ik kan u niet helpen, dat is dan 35 gulden voor het consult. Ik schaamde me rot. Net op eigen benen, ik zou het allemaal zelf gaan doen, ik die alles aankon. Ik voelde me zo ellendig, dat ik dood wilde. Ik at niet meer en bleef in bed liggen. Een tante heeft me naar een arts gebracht, die me verder heeft geholpen. Uiteindelijk is het gelukt op psychische gronden, en tamelijkl egaal. Het was een hel. Ik dacht: dit mag niemand ooit
nog overkomen.

Met Dolle Mina heb ik meegewerkt aan een brochure over vrouwenbesnijdenis. Heel bescheiden. Wij hadden geen idee dat het veel later zo’n topic zou worden. We beschreven het gruwelijke gebruik en zeiden: we moeten ons niet op de borst roffelen dat wij zo progressief zijn, want de clitoris wordt in de seksuele voorlichting doodgezwegen. Meisjes wisten niet eens dat ze een clitoris hadden. Het lefgozerige van Dolle Mina vond ik geweldig. Hadden we een zaal besproken bij de universiteit, Bleek die te klein, gingen we in een grotere zaal zitten. Dat deden we gewoon. Niemand hield ons tegen. Ik weet niet of we ervoor betaald hebben. Niet bang zijn, dat idee is een beetje weg.
Ik heb verschrikkelijk veel gelachen. Het beeld van kortgeknipte
kenaus in roze tuinbroeken, daar klopt niks van. Het was de tijd van de minirok, die droeg ik. Ik ging graag extreem gekleed. Als puber droeg ik al wijde petticoats die stijf van het stijfsel stonden. Opvallende pakken en gekke hoedjes, glim en tijgerprint – ik ben er dol op. Ik provoceer graag. Als je op de universiteit met die eindeloze, saaie gangen geen affiches op de deur mag hangen vanwege brandgevaar, trek ik mijn zilveren astronautenpak aan.

De bh had ik afgezworen. Het bhloze tijdperk werd uitgeroepen
om vrouwen uit het keurslijf te bevrijden. Ik vond het heel prettig
zonder. Ik had ’m ook niet zo heel hard nodig, zo zwaar ben ik niet. Sinds ik ziek ben, draag ik er weer een. Chemokuren zijn een enorme aanslag op je lijf. Een vrouw van het Namibisch Bevrijdingsleger, die ik bij een lezing tegenkwam, zei: ‘Ik heb be-
grepen dat jullie feministen allemaal je bh weggooien. Wij moeten vaak rennen om te ontsnappen aan het Zuidafrikaanse leger, dan springen onze borsten op en neer, en dat doet pijn. Kun je die bh’s niet opsturen?’Dat heb ik een paar jaar gedaan. Bij elke bijeenkomst zette ik een doos bij de deur met daarop: bh’s voor Namibië. Die zat vaak stampvol.


De jaren zestig en zeventig waren mijn mooiste jaren. Het leven
straalde me tegemoet.Het bruiste, het gonsde, alles zou anders worden. Studentenbeweging, Dolle Mina, al die actiegroepen, it was in the air, we stonden aan het begin van een betere maatschappij! Ik woonde illegaal op Kattenburg – dat dat zomaar kon, een huis illegaalbewonen; het heette toen nog geen kraken.

Provo vond ik spannend, maar de manier waarop ze met meisjes omgingen, verafschuwde ik. Als je als meisje bij Provo wilde, was het wel handig als je een paar nachten op de provoboot had geslapen. Daar had je weinig keus met wie je naar bed kon gaan.Als je op de boot was geweest, was je lid.Bij Provo moest
alles kunnen. Hoe meer seks, hoe progressiever je was. Ik was van het vrolijke actievoeren. Ik heb nooit met stenen gegooid, ben nooit gearresteerd. Ik had zelfs moeite met het schreeuwen van leuzen. Ik was fanatiek, maar niet dogmatisch. Ik ben altijd bereid naar anderen te luisteren.

Aan de discussies over de vraag tot welke leeftijd jongetjes met
hun moeder mee mochten naar het vrouwencafé, heb ik niet mee-
gedaan. Vond ik allemaal onzin. Dat was het radicaal-feminisme. Ik ben nooit anti-man geweest. Veel van mijn medestrijders staken over naar de Communistische Partij, de CPN. Ik niet. Mijn ouders waren communist. Bij ons thuis hing Stalin in de huiskamer aan de muur.Toen Chroesjtsjov hem in de ban had gedaan, verdween hij naar de gang. Ik ging met mijn moeder naar bijeenkomsten van de Nederlandse vrouwenbeweging van de CPN. Daar was je klapvee. Wilde je discussie, dan moest je niet bij de CPN zijn. Bovendien: Marx was een naar burgermannetje. Hij heeft vreselijke dingen gezegd over vrouwen. Fabrieksarbeidsters verloren hun vrouwelijkheid, die waren onbeschaafd, daar kankerde hij verschrikkelijk op.

Ik heb een behoorlijke tik gehad van de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije in 1956. Ik woonde in Schagen; wij waren zo’n beetje de enige communisten. Het zei mij niks, ik was 11. De dag dat de Hongaarse opstand werd neergeslagen, keerde het hele schoolplein zich tegen me. Ik werd geschopt, bespuugd en geslagen, en de onderwijzers staken geen poot uit. Ik begreep er niets van. Huilend kwam ik thuis. Ja kind, zei mijn moeder, wij zijn communist.

Het woord revolutie schrikt mij af. Dat associeer ik met geweld, de Grote Kladderadatsch. Dat speelde voortdurend bij de CPN: op een gegeven moment grijpen wij de macht. Ik geloof niet in één Grote Breuk. Dat is gevaarlijk. Ik geloof meer in kleine stappen, ook al wil ik best radicaal zijn.

Ik kan me nog steeds opwinden. Waar ik heel erg boos over ben – geschokt, mag je wel zeggen – is dat veel van mijn feministische collega’s een werkster hebben. Hebben we dan het huishoudelijke-arbeiddebat in de jaren zeventig voor niks gevoerd? Huishoudelijke arbeid is belangrijk, vonden we. En nu ze ineens meer geld hebben, hoeven ze hun eigen wc niet meer schoon te maken.

Daar heb ik heel wat dames op aangesproken. Dan zeggen ze dat ze geen tijd hebben om te poetsen, omdat ze zo’n belangrijke baan hebben. Vraag ik: betaal je jouw werkster hetzelfde uurloon als je zelf verdient? Dat vinden ze absurd. Door er hun neus voor op te halen en het slecht te betalen, maken ze van huishoudelijke arbeid weer onbelangrijk werk.

Als jij staat voor gelijkheid, moet je dat in praktijk brengen. Doe wat je preekt. Je moet niet hypocriet zijn. Ben je voor een beter milieu? Dan moet je geen auto rijden, of in elk geval zo weinig mogelijk. Ik zie dat gelijkgestemden dat laten schieten. Wat ik ook raar vind, is dat veel van mijn vroegere vrienden niet naar de demonstraties tegen de oorlog in Irak zijn geweest. Het komt niet eens in ze op. Je bent nooit te oud om te demonstreren.

Daarin klinkt mijn jeugd door, denk ik. Als je iets ziet wat niet deugt, moet je je mond opentrekken. Dat plichtsgevoel hadden CPN’ers ook. In die zin had de CPN wel iets gereformeerds. Als een Marokkaan op de markt slecht wordt behandeld, zeg ik er iets van.

Het is nu onmiskenbaar veel beter voor vrouwen. Begin jaren zeventig ging bijna iedereen trouwen en verdwenen vrouwen in het huishouden. Abortus was illegaal, vrouwen verdienden 30 procent minder dan mannen voor hetzelfde werk. De vakbond was niet bereid daar iets tegen te doen, mannen waren de kostwinner, vrouwen moesten niet zeuren. Dat is een heel stuk rechtgetrokken, al krijgen vrouwen nog steeds niet hetzelfde betaald.

Er is nog veel te doen. Veel vrouwen hebben nog altijd de neiging te denken dat mannen het beter weten. Een mannelijke student is net terug van een conferentie in Rio de Janeiro. Honderden wetenschappers uit de hele wereld waren bijeen om te praten over mannenemancipatie. In Rio, dat toch te boek staat als stad van macho’s.

Voor het eerst in de geschiedenis vergaderde een internationaal gezelschap van 450 mannen en vrouwen vier dagen lang over de bijdrage die mannen en jongens kunnen leveren aan gelijke sekseverhoudingen. Als ik dat hoor, word ik helemaal blij.

Willen we prettiger met elkaar omgaan, dan zal dat van beide seksen moeten komen. Het lijkt mij geen leuke positie als je altijd de kostwinner moet zijn, het altijd beter moet weten, dat je altijd rationeel moet zijn. Als mannen dat een klein beetje loslaten, wordt het leven veel prettiger. Ook voor mannen.

Half februari kreeg ik te horen dat ik nog een half jaar te leven heb. Eind augustus is het afgelopen. Misschien worden het negen maanden. Het is onduidelijk of de chemo en bestraling zijn aangeslagen, maar de kanker in mijn hersenen gaat niet meer weg. Ik was een week van de kaart; toen heb ik besloten dat ik ga proberen lachend te sterven.

Het is wachten tot de hoofdpijn begint of dat ik duizelig word. Dat vind ik af en toe een naar idee, maar zolang het er nog niet is, geniet ik van alles. Ik ga naar boekpresentaties, ik heb met mijn kinderen in Egypte mijn pleegdochter bezocht, ik ben naar Oerol geweest. Ik moet wel voorzichtig zijn, ik kan niet al te lang meer lopen.

De laatste tijd besef ik eens temeer wat een bofkont ik ben. Ik krijg zo verschrikkelijk veel warmte en liefde – het is om te huilen. Ik krijg veel reacties van oud-studenten, dat ze zoveel aan me hebben gehad. De aandacht van mijn dochter, mijn zoon en mijn pleegdochter… Zo hartverwarmend, dat ik denk: nu kan ik wel doodgaan. Het is goed geweest. Het leven is goed voor mij geweest.

Ik kreeg een brief van een oudstudent die nu op het Franse platteland woont, daar zijn kippen voert en iets in de ict doet voor een bedrijf in Nederland. Dat hele utopia-idee, dat je moet leven naar je idealen, heeft ie van mij. Ik krijg een heleboel van die kaartjes. Ik heb mensen een optimistische kijk gegeven. Dat geeft me de troost dat ik niet voor niks heb geleefd.

Blijf nieuwsgierig en geef je idealen niet op. Wees bereid anderen te helpen, maar offer je niet op. Ik geloof niet in opoffering; je moet zelf een prettig leven leiden. Ik heb de man met wie ik samenwoonde – de vader van mijn kinderen – uit huis gezet, omdat ie te veel dronk. Ik was te veel mijn broeders hoeder geworden. Ik regelde alles voor hem. Dat wilde ik niet meer opbrengen.

Denk na over hoe je wilt leven; je moet niet alles vanzelfsprekend vinden. Besef dat er meer mogelijkheden zijn dan werken, consumeren en het kerngezin. Dat huisje- boompje- beestje-gedoe zonder iets sprankelends… Misschien kies je er wél voor, prima, als je er maar over hebt nagedacht.

Als kind kreeg ik het benauwd van de vaste patronen – dat straatje, dat huisje, alles geregeld, om zes uur eten, het weinig vreugdevolle dat in een relatie kan sluipen. Ik dacht: er moet toch een andere vorm van leven zijn? Woest en meeslepend wilde ik leven. Daar moet ik nu wel een beetje om lachen. Maar ik heb het wel geprobeerd. Ik heb 21 jaar in een woongroep gewoond. Ook dat bleek uiteindelijk niet ideaal.

Op het eind van een college meldde ik altijd wat er de komende week stond te gebeuren. Niet alleen acties en demonstraties, ook lezingen, discussiebijeenkomsten en vergaderingen. Vroeger hadden Vrij Nederland, De Groene en Opzij actieagenda’s. Die hebben ze niet meer, en nu lijkt het alsof er niks meer gebeurt. Maar er gebeurt van alles.

Mijn studenten hebben mij bij de les gehouden. Een student heeft me meegenomen naar een alternatief restaurant in een kraakbolwerk. We aten veganistisch, ik had er nog nooit van gehoord, maar ik zag er mijn eigen idealen terug – de belofte van verandering was tastbaar.

De kraakbeweging, de scene, zoals ze zichzelf noemde, was met een heleboel dingen tegelijk bezig. Met feminisme, anti-kernenergie, milieu, antimilitarisme, de multiculturele samenleving, antifascisme, politieke gevangenen... Ik heb veel lezingen in dat circuit gegeven.

Via de kraakbeweging belandde ik op de Pinksterlanddagen in Appelscha, waar de scene en anarchisten eens per jaar bij elkaar komen op een camping die al tachtig jaar wordt gerund door anarchisten. Ik ben geen anarchist, je kunt niet buiten de staat, er zijn regels nodig. Maar ik kom er graag, er hangt een geweldige sfeer, een hanekam in gerafelde kleren staat af te wassen naast een permanentje in bloemetjesjurk. Er wordt naar elkaar geluisterd, net als in die alternatieve cafés en restaurants. Er is ruimte om verschillend te denken.

Het geeft hoop dat een jongere generatie bezig is met idealen die ik ook heb. Zij koesteren, net als ik, het idee dat een betere wereld mogelijk is. Ik ga binnenkort dood. Maar zij gaan door.’

1945 geboren in Schagen
1969 bezetting Andragogisch Instituut, Universiteit van Amsterdam
1970- 1977 Dolle Mina
1974 afgestudeerd in de andragologie, UvA
1974- 1976 tot aan Hoge Raad (tevergeefs) gestreden voor recht op
werkloosheidsuitkering voor samenwonenden
1975- 1978 wetenschappelijk medewerker emancipatie en socialisme
(voorloper vrouwenstudies) Derde Wereld Centrum, Nijmegen
1975- 1980 Femsoc-beweging (Feministische Socialistische Vrouwen)
1975- 1980 Abva-vrouwen (vakbond)
1978- heden docent vrouwenstudies/politicologie, UvA
1993 gepromoveerd in de sociale wetenschappen op utopisme/feminisme
2009 de voormalige Werkgroep Andere Tijden (een linkse club historici
en sociale wetenschappers) stelt een prijs in voor feministisch
engagement en geschiedenis. De tweejaarlijkse prijs gaat naar
Poldervaart en heet voortaan Saskia Poldervaart Prijs
Saskia Poldervaart heeft een zoon, een dochter en een pleegdochter.


Powered by Greymatter