Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

11/20/2008: "ANARCHISME EN POLITIEKE RUIMTE"

COLOMBO (28k image)

Zijn er voorwaarden te bedenken waaronder men over politieke ruimte van de anarchie kan spreken?

Klik op meer.



Eduardo Colombo heeft zich voor genomen, om aan die vraag aandacht te besteden. Daarover zo dadelijk. Eerst iets over Colombo zelf. Hij is geboren (1929) in Argentinië en studeerde medicijnen waarna hij psychoanalyticus werd. In de jaren zestig van de vorige eeuw doceerde hij sociale psychologie aan de universiteit van Buenos Aires. Sinds 1970 woont hij in Parijs. Een groot deel van zijn leven werkte hij mee aan anarchistische tijdschriften, waaronder tot heden aan het Franse anarchistische blad Réfractions. Zijn laatst verschenen boek betreft het hieronder te behandelen ‘L’Espace politique de l’anarchie. Esquisses pour une philosophie politique de l’anarchisme’ (De politieke ruimte van de anarchie, Schetsen ten behoeve van een politieke filosofie van het anarchisme).

Het boek is in feite een bundel van zeven reeds eerder in diverse tijdschriften gepubliceerde artikelen. Het oudste artikel dateert van 1984, het jongste van 1998. Het verband tussen de verschillende artikelen, die in het boek even zovele hoofdstukken vormen, wordt door twee typen verschijnselen uit gemaakt. Het eerste verschijnsel betreft de ‘eigenmachtigheid’ (autoritarisme) van de overheid en de libertaire kritiek daarop. Het tweede verschijnsel behelst de institutionele vormgeving van die ‘eigenmachtigheid’, te weten de zelfstandige verschijning van de politieke macht. In de verschillende hoofdstukken behandelt Colombo telkens een bepaald facet van de genoemde verschijnselen.

In het eerste hoofdstuk wordt de symboliek geanalyseerd, die ertoe moet bijdragen, dat mensen het eigenmachtig optreden van overheden als legitiem ervaren. Daarvoor verwijst Colombo naar een bepaald soort woordgebruik. Zo fixeert hij bijvoorbeeld op het woordje ‘hoog’. Al vroeg wordt ons duidelijk gemaakt dat we hoger geplaatsten moeten eerbiedigen en gehoorzamen. Hoger? Ja die ‘boven’ ons staan of verblijven, zoals goden of god (of vader, minister, koning; vul zelf verder maar aan). In allerlei taalvormen komt dit terug. Het moet ons een besef van nederigheid doen voelen en ons tot gehoorzamen bewegen (nederig: neder, neer, ‘laag’; wij staan ‘lager’ dus moeten we wel ‘eerbiedigen’...).

Het inzicht in het vorige hoofdstuk opgedaan, wordt in het tweede hoofdstuk gebruikt om iets over een bepaalde vorm van politiek te zeggen, te weten de vorm van de Griekse polis. Zij die zich in de polis met de politiek konden bezighouden, waren materieel elkaars gelijken. Daardoor kon in die maatschappij het sociale en het politieke samenvallen. Overigens, vrouwen, slaven en minderjarigen telden in dat geval niet mee. Daarom blijf ik altijd moeite houden met dit bekende voorbeeld over gelijkheid.

Maar Colombo’s bedoeling is duidelijk: hij wil met behulp van het oude, Griekse voorbeeld ‘gelijkheid’ op een bepaalde manier belichten. De gelijkheid waarover Colombo spreekt, rekent namelijk af met het verschijnsel ‘dominantie’. Hoe zit dat?

De gelijkheid kent door opheffing van vastliggende verschillen, niet meer de dominantie die gegeven is in allerlei relaties, zoals de werkgever / werknemer verhouding en de verhouding staatsburger / overheid. Het derde tot en met het vijfde hoofdstuk gaat dieper op deze problematiek in. Langs een analytische weg wordt daarbij de volgende constatering door Colombo uitgewerkt.

Wanneer de politieke macht zich, anders dan in de polis, tot een zelfstandige, afgezonderde eenheid vormt en zich in een staatsverband organiseert, dan ontstaat er een niet meer te overschrijden barrière tussen vrijheid en gelijkheid. De gelijkheid is dan namelijk slechts een formele gelijkheid (de gelijkheid voor de wet). In het sociale leven laat dit zich vervolgens bijvoorbeeld voelen in het materiele verschil tussen rijk en arm (het systeem van ongelijkheden).

De dominantie tussen mensen die nu opgeld doet, wordt mede zichtbaar in het publieke domein: de staat verschijnt als een van buitenkomende macht in het sociale leven. De staat sanctioneert de institutionele hiërarchie en reproduceert daarmee ‘dominantie’ tot in het oneindige. Weg ‘gelijkheid’. Met als materieel resultaat: de armen armer, de rijken rijker!

De moderne staat duidt Colombo als ‘paradigma van de macht’. Dat is precies wat vanaf begin negentiende eeuw vanuit het ‘politieke anarchisme’ onder vuur ligt in de kritiek van Godwin, Proudhon en Bakoenin (en na hen komende anarchisten). Dit anarchisme streeft naar ‘paradigmawisseling’ kan men zeggen. Welke kenmerken draagt het daarmee samenhangende libertaire paradigma? Colombo merkt daar het volgende over op.

Er laat zich een sociale omgeving denken waarin de relatie tussen gelijken niet hiërarchiek maar door situaties en omstandigheden wordt bepaald. Met Domela Nieuwenhuis zou ik kunnen wijzen op het door hem beschreven situationeel leiderschap: gelijken kiezen onder elkaar iemand uit die zij de beste achten om in een werk leiding te geven. Is het werk klaar, dan ben je leider af. Doet de leider het niet goed, dan wordt een ander gekozen. Het ‘leiderschap’ ligt dus ‘open’: het leiderschap wordt afhankelijk van situatie en omstandigheid bepaald.

Met dit voorbeeld van Domela is tevens het door Colombo besproken verschil tussen asymmetrische en hiërarchieke verhoudingen toegelicht. Het laatste type verhoudingen ligt institutioneel verankerd; het betreft het traditionele paradigma van de dominantie. Het sociale en het politieke zijn uit elkaar getrokken. Wat in die context ‘democratie’ heet, wordt gedomineerd door het ‘blank mandaat’ van de volksvertegenwoordiger.

Het eerste genoemde type verhoudingen varieert en rouleert; het betreft het door Colombo bedoelde libertaire paradigma waarin dominantie in hiërarchieke zin is verwijderd. Het sociale en het politieke valt weer samen.

Colombo wijst er dus op dat er ook in een libertaire maatschappij sprake zal zijn van situationele gezagsrelaties. Hij verwijst daarbij naar het overbekende voorbeeld van de schoenmaker, waar Bakoenin over spreekt. Die merkt daarover op, dat in het geval van schoenreparaties je het gezag van de schoenmaker aanvaardt, waarbij je bijvoorbeeld ook naar een andere schoenmaker kan gaan voor een ‘contra-expertise’. Ik zelf zou in zo’n geval spreken over ‘functioneel gezag’. Men heeft hier dus duidelijk met een principieel ander paradigma van doen dan het traditionele.

Colombo heeft voor het maken van dit punt veel woorden nodig gehad. Hier wreekt zich dat hij de artikelen ongewijzigd in zijn boek heeft opgenomen. Daardoor valt hij regelmatig in herhaling. Bovendien behandelen de laatste twee hoofdstukken wel interessante thema’s, maar in relatie tot het hoofdonderwerp hangen ze er wat bij. Het ene thema betreft gedachten over de ‘revolutionaire en utopische tijd’, het andere gaat over ‘universele waarden en cultureel relativisme’. Het laatste thema is misschien wel wat voor ‘Balkenende en co.’, de ‘firma’ die zich zo om ‘waarden en normen’ bekommert.

Aan het hoofdonderwerp is door Colombo wel ruime aandacht besteed. Zoals we zagen meent hij vanwege het libertaire paradigma, dat er politieke ruimte van de anarchie is. De politieke filosofie van het anarchisme is naar mijn oordeel in het stadium van een schets blijven steken. Er zit evenwel in het geheel voldoende stof voor een stevige debat onder anarchisten.

COLOMBO, Eduardo, ‘L’Espace politique de l’anarchie. Esquisses pour une philosophie politique de l’anarchisme’ (De politieke ruimte van de anarchie, Schetsen ten behoeve van een politieke filosofie van het anarchisme), uitgeverij Atelier de Création Libertaire, Lyon, 2008, 182 p., prijs € 14.


Powered by Greymatter