Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

12/13/2006: "RECHT VOOR ALLEN"

Dit recht werd eind negentiende eeuw al opgeeist.
img112 (13k image)
Anarchisten die recht opeisen, terwijl zij niets van recht willen weten? Hoe zit dat?
Klik op meer.

Het is de godfather van het Nederlandse anarchisme, Domela Nieuwenhuis (1846-1919), die in 1879 met de oprichting van het weekblad RECHT VOOR ALLEN, dat recht, voor allen, opeist. Over welk recht of welke rechten ging het dan? Dat is een inhoudelijke vraag. Die laat ik rusten. Er is ook de meer theoretische vraagstelling waaraan hier onder aandacht zal worden besteed.

Anarchisten hebben traditioneel het recht als een constructie ter onderdrukking van arbeiders, van niet-vermogenden gezien. Recht was een maatschappelijke hulpconstructie ten behoeve van het gevestigd houden van de macht van kapitalisten, van wel-vermogenden. Toch is de vraag legitiem of het begrip recht niet meer in kan houden dan dat.

Zelf heb ik altijd verdedigd dat dit het geval is. Het kan meer inhouden, bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in een libertair rechtsdenken. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik onlangs in een oudere aflevering van het Franse, driemaandelijkse anarchistische tijdschrift REFRACTIONS (winter 2000, nr. 6) dezelfde ideeën over recht en anarchisme aan.

Het betreft een themanummer over de vraag WELK RECHT?, met als ondertitel Recht en anarchie. Een aantal auteurs analyseert teksten van klassieke anarchisten (onder wie Godwin, Stirner, Bakoenin, Proudhon, Kropotkin, Guillaume) op de vraag wat het rechtsgehalte is van hun betogen. Daarbij wordt vooral aandacht besteed aan de institutionele kant van het recht. Het gaat dan om het vastleggen (of niet) van afspraken, het vastleggen van op welke plek (de algemene vergadering?) welke beslissingen en voor wie dan geldend, worden genomen (alleen voor wie aan het nemen van de beslissing deelnam?). Wat blijkt uit hun analyses?

In de relevante anarchistische optieken is een ruwe tweedeling te ontdekken, die met twee woorden is te typeren: revolte en revolutie. In de optiek van de revolte, de opstand, de permanente opstand komt men niet toe aan een doordenking van het recht in de vorm van libertair recht. Het denken over recht verplaatst zich onmiddellijk naar het denken over macht. Recht is gelijk macht. Er rest alleen opstand, revolte.

Het is de optiek die ten diepste door Max Stirner (1806-1856) is beschreven in zijn boek Der Einzige und sein Eigentum (1844). Hij, der Einzige, heeft de zaak op zichzelf gesteld. Hij, der Einzige, kan in institutionele zin hooguit aan een vereniging van egoïsten denken. Daarin is het, onder omstandigheden, een komen en gaan en een inrichten en opheffen als de tijd daar is, omdat een ieder uitsluitend aan zichzelf denkt. Tijdelijkheid is troef. Zo’n vereniging zou dus best wel eens een TAZ – hier institutioneel bedoeld – een tijdelijke autonome zone, kunnen heten. De revolte richt zich ondertussen tegen elke mogelijk POZ, de permanente onderdrukkende zones.

Geen misverstand evenwel: de anarchisten die de revolutie prediken, richten zich evenzeer tegen de POZ. Maar wat blijkt bij lezing van hun geschriften? Juist zij zijn tegelijk bezig met de vraag hoe de wereld er na de revolutie uit zou moeten zien. Michael Bakoenin (1814-1876) bijvoorbeeld, levert daar een voorbeeld van. Hij is in de tweede helft van de negentiende eeuw bij menige revolutie-uitbraak aanwezig. Op de barricade is hij tevens het statuut aan het schrijven ten behoeve van de organisatie van de rechten (en plichten) van de mannen en vrouwen, die na de revolutie de macht in handen nemen.

In de revolutie gaat het niet om de revolutie zelf, maar om wat er daarna wordt gevestigd. De afbraak (de revolutie) dient de creatie. Terwijl Stirner de revolte – en alleen dat huldigt, gaat het bij Bakoenin zeker ook om opstand, maar met een doel: de andere, de libertaire maatschappij. Hij blijkt dus, naast al het andere, een institutie-denker. Wat menig anarchist uit het oog heeft verloren is, dat dit laatste, dus de libertaire institutie, zeker ook een rechtscategorie is.

In diverse bijdragen in het genoemde REFRACTIONS komt dit uitgebreid aan de orde. Vanzelfsprekend zijn daar kritische vragen bij te stellen en zijn er filosofische standpunten (bijvoorbeeld de natuurrechtelijke) in te nemen. Men treft dit allemaal in het bedoelde nummer aan.

Bovendien komen praktijkzaken aan de orde, zoals de anarcho-syndicalistische actie en de geboorte van recht in Christiania,, de nog steeds bestaande vrijstad in het centrum van Kopenhagen. Als een kraker daar zijn kamer voor enige tijd verlaat, mag die kamer dan zo maar worden ingenomen door een ander? Mag je ongevraagd de slaapzak van een ander in gebruik nemen? Als dat niet het geval is, wie bepaalt dat dan? Of geldt hier het recht van de sterkste? Dat soort hele basale, misschien wel in de ogen van menigeen banale, zaken komt aan de orde, want is aan de orde (geweest) in Christiania. Het heeft allemaal met recht te maken, ook al wil menig zich anarchist noemende daar niets van weten. Het gaat om recht voor allen.

Het nummer van REFRACTIONS is niet nieuw, maar de erin aangereikte kwesties zijn zeker niet verouderd, integendeel, veel zijn als constanten te herkennen. Voor meer informatie zie hun site .


Powered by Greymatter