Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

11/28/2006: "Honderdvijftig jaar Vrijdenken in Nederland"

De vrijdenkersbeweging in Nederland bestaat 150 jaar. In 1856 werd in Amsterdam De Dageraad opgericht, een vereniging die van start ging met 44 leden, en sinds een halve eeuw bekend staat als De Vrije Gedachte die het blad De Vrijdenker uitgeeft.
godnochautoriteit_web (22k image)
Ter gelegenheid van dit jubileum is een fraai boek uitgebracht waarin de geschiedenis van de vrijdenkersbeweging beschreven wordt.
Klik op meer.

Eerdere jubilea, in 1956 en in 1981, werden gevierd met gedenkbundels die door de vrijdenkers zelf waren samengesteld. Ditmaal is gekozen voor een indrukwekkende bundel met bijdragen van twaalf wetenschappers, merendeels historici. Het initiatief daartoe kwam van het Humanistisch Archief in Utrecht.

Vrijdenken was (en is) een vorm van ondogmatisch denken over levensbeschouwelijke en maatschappelijke vraagstukken waarbij met voorbijgaan aan door God geopenbaarde waarheden of theologische beweringen gezocht wordt naar “het ware, het goede en het schone”. Tegenover God, Christus en de Kerk stelden de vrijdenkers de menselijke rede en soevereiniteit. Natuur en wetenschap namen de plaats in van godsdienstige leerstellingen.

De wortels van de vrijdenkerij liggen in de Verlichting, maar “het denken zonder dogma’s” zoals de vrijdenkers het zelf formuleerden, ontstond toch vooral in reactie op natuurwetenschappelijke kennis. De kerken hadden zich zolang tegen wetenschappelijke ontwikkelingen verzet dat wie daarin belang stelden bijna vanzelf buiten de godsdienst kwamen te staan. En zo werd het wereldbeschouwelijke materialisme onder invloed van radicale natuurwetenschappers als Haeckel, Darwin en Moleschott al spoedig gemeengoed binnen de jonge vrijdenkersbeweging.

Het kan dan ook niet verbazen dat de stoot tot het oprichten van De Dageraad juist uit ging van een in die tijd verschenen boek over Java van de arts en etnoloog Junghuhn die de natuur als bron van waarheid zag. Daarom ook vormden atheïsten bij de oprichting nog een minderheid en spraken de eerste georganiseerde vrijdenkers vooral van natuurreligie. Multatuli vertolkte met zijn “Gebed van de onwetende” de overgang naar een atheïstisch wereldbeeld dat tot op de dag van vandaag door de meeste vrijdenkers wordt onderschreven.

Velen van hen zagen het atheïsme overigens als een sociaal ideaal, een zich ontworstelen aan bevoogding door kerkelijke en wereldlijke machten. Vrijdenken was altijd een levenshouding waarbij het streven naar gerechtigheid centraal stond. Dat verklaart de grote maatschappelijke betrokkenheid en uitstraling van de beweging. Vrijdenkers stonden vooraan in de strijd tegen militarisme, oorlog en fascisme, op de bres voor democratie en mensenrechten. En daarnaast behoorden ze tot de eersten die vooruitstrevende standpunten innamen op terreinen als feminisme, crematie, geboorteregeling, homoseksualiteit en euthanasie.

Tegelijk was de vrijdenkerij een cultuurbeweging. Aanvankelijk was De Dageraad nog overwegend een organisatie van de kleine burgerij, in politiek opzicht overwegend liberaal. Na 1900 veranderde dit: steeds vaker kwamen vrijdenkers uit de arbeidersklasse. De voormalige predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis staat model voor deze verschuiving en geeft tegelijk weer dat de vrijdenkersbeweging zich in anarchistische richting ontwikkelde. Daarmee is ook de titel God noch autoriteit van de bundel verklaard.

Men kan de marginaliteit van de vrijdenkersbeweging benadrukken zoals Hans Blom in zijn inleiding doet, maar zal toch moeten erkennen dat het de vrijdenkers niet ontbroken heeft aan invloed op sommige maatschappelijke ontwikkelingen. Hun onafhankelijke en kritische opstelling dwingen bewondering af, zeker als men bedenkt dat veel vrijdenkers autodidacten waren. De drang naar kennis is immers kenmerkend geweest voor deze beweging.

De keuze voor een wetenschappelijke bundel met een verscheidenheid aan bijdragen kan nadelen hebben. Geringe overlappingen zijn meestal niet hinderlijk, maar ernstiger is de kans dat zo’n geschiedschrijving op onderdelen verbrokkeld raakt of zelfs witte plekken vertoont. Helaas heeft men die in dit boek niet geheel kunnen vermijden. De invloed van het wijsgerig denken van Spinoza blijft bijvoorbeeld onderbelicht, zo ook is het jammer dat de rol van voormalige priesters en predikanten (soms bleven ze zelfs op de kansel staan zoals Nico Schermerhorn) in de vrijdenkersbeweging onvoldoende uit de verf komt en het meest opvallend is wel dat de periode na 1945 er een beetje bij hangt.

Daar staat gelukkig tegenover dat de grote bloeiperiode van de vrijdenkersbeweging tussen de beide wereldoorlogen uitgebreid aan de orde komt. Het was niet alleen de tijd dat de ontkerkelijking in de grote steden om zich heen begon te grijpen en de problematiek van de scheiding tussen kerk en staat (bijzonder onderwijs, Zondagswet, beloften in plaats van eed, godslastering, etc.) bovenaan de vrijdenkersagenda stond, het was bovendien de tijd waarin de vrijdenkers de confrontatie met de confessionelen niet meer uit de weg gingen. De roemruchte propaganda tochten naar de “donkere” provincies beneden de rivieren dateren uit die periode.

Evenzeer traden de vrijdenkers toentertijd naar buiten met hun debatten en lezingen, vaak gehouden op de zondagochtend. Deze bijeenkomsten trokken veel publiek. Een zeer populaire spreker en debater was Anton Constandse. Indruk maakte ook voorzitter Jan Hoving met zijn radioredes tegen het antisemitisme.

Een onderwerp dat ook meer aandacht had verdiend is de onderlinge relatie van de vrijdenkers en de in het Humanistisch Verbond verenigde humanisten. De oprichting van dat verbond in 1946 kwam voor de vrijdenkers onverwacht, zeker omdat de wijsgerige en ethische grondslagen niet zo veel van elkaar verschilden. Maar de georganiseerde humanisten hadden een veel ruimere doelstelling, te weten een gelijkwaardige plaats in de samenleving voor onkerkelijken. Hun pragmatisme straalde ook een ander kleur en politieke atmosfeer uit.

Terwijl De Dageraad een kleine organisatie bleef groeide het verbond als kool. Dit gescheiden optrekken leidde onvermijdelijk tot fricties en wedijver. Niettemin ontstond er geen broederstrijd en groeiden de organisaties in de loop van de tijd ten dele naar elkaar toe. Het feit dat kopstukken als Anton Constandse en Piet Spigt van beide bewegingen deel uit maakten zal daarbij een belangrijke rol gespeeld hebben. Ook in latere jaren was dat het geval, waarbij men kan denken aan filosofen als Paul Cliteur en Wim van Dooren (die overigens in dit boek ongenoemd blijft).

Daarnaast zijn de veelal goede verhoudingen terug te voeren op praktische samenwerkings verbanden zoals het Humanistisch Archief en de ouderenzorg. Zo bood ook de Humanistische Omroep plaats aan de vrijdenkers toen deze in 1995 hun zendmachtiging verloren.

Bijdrage van Hans Ramaer

Het boek God noch autoriteit verscheen op zaterdag 14 oktober tijdens het 150-jarig jubileumcongres van vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte. Klik hier om de voordracht van Bert Gasenbeek te beluisteren bij de presentatie van het boek tijdens het jubileumcongres van De Vrije Gedachte op 14 oktober 2006.

B. Gasenbeek, J.C.H. Blom, J.W.M. Nabuurs (redactie), God noch autoriteit. Geschiedenis van de vrijdenkersbeweging in Nederland; Uitgeverij Boom. Meppel 2006; 336 pag.; geïllustreerd; ISBN 9085063582

Speciale prijs tot 1 januari 2007 zolang de voorraad strekt van 19,95 daarna 24,95. Te bestellen door overmaking van 22,45 ( 19,95 + 2,50 verzendkosten) op Postbankrekening nummer 7695453 ten name van Het Humanistisch Archief te Utrecht, onder vermelding van ‘God noch autoriteit’.


Powered by Greymatter