Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

09/30/2005: "Nieuw nummer van tijdschrift Buiten de Orde is uit!"

Deze week verscheen het nieuwe nummer van Buiten de Orde (tweede kwartaal, zomer 2005), het anarchistisch tijdschrift van De Vrije Bond.
kopklein300 (6k image)
Het is het eerste nummer van de nieuwe redactie die dit voorjaar aantrad, nadat enkele oudgedienden, die jarenlang het blad hadden geredigeerd, waren teruggetreden.
Klik op meer.

Er bestond in anarchistische kring wel enige vrees voor het voortbestaan van Buiten de Orde. Zouden er voldoende mensen zijn die de schouders onder de nieuwe redactie zouden willen zetten? En zou daarmee de hoge kwaliteit van het blad gehandhaafd kunnen blijven?

Tal van anarchistische bladen in ons land legden immers de afgelopen tien jaar het loodje: De Vrije verdween als blad, de RAAF stierf een stille dood, beide edities van Recht voor Allen werden opgedoekt. Alleen De AS en Buiten de Orde bleven trouw verschijnen.

We kunnen vooralsnog gerust zijn, de nieuwe redactie heeft een prima nummer afgeleverd en zet gewoon de lijn voort die reeds was ingezet. Eigen artikelen naast vertaald werk, nieuwe schrijvers, maar ook vertrouwde namen leveren de ingrediënten voor een veelzijdig nummer, dat alleen wat dunner is uitgevallen dan voorheen het geval was. Dit laatste moest echter op last van de uitgever geschieden in verband met de kosten. De lay-out is nagenoeg hetzelfde gebleven.

De nieuwe redactie laat weten geen zuivere ideologische lijn te volgen. Dat lijkt mij een prima ideologisch uitgangspunt!

Desondanks woedt er een dergelijke kwestie in dit nummer en wel rond het zogeheten primitivisme. Dat is een Amerikaanse stroming in het anarchisme dat technologie verwerpt als steen des aanstoots van veel huidige maatschappelijke ellende.

De aanleiding vormde het artikel van Jaap Krater (Groen Front!) in het vorige nummer getiteld ‘Weg met duurzame ontwikkeling’ dat kenmerken van dit primitivisme vertoond. Nieuweling Stijn Vanhandsaeme gaat de discussie in het nieuwe nummer aan.

Voorts bijdragen over het vluchtelingendebat het kabinetsbeleid, anarchistische kolonies (leefgemaanschappen), Franse anarcho’s, graffiti, nanotechnologie en een interview met Jonathan Pollak van Anarchisten tegen de Muur uit Israël.

Ook heeft het blad het hoofdstuk over anarchisme geplaatst uit het boek van Antoine Verbij ‘Tien Rode Jaren’, dat vijf maanden geleden reeds op De Vrije was te vinden (zie hier).

Dit stuk recente geschiedenis over de anarchistische beweging in Nederland gedurende de jaren zeventig, wordt in dit nummer van Buiten de Orde door Jan Bervoets van commentaar voorzien. Jan was destijds reeds actief bij de beweging betrokken.

We plaatsen hierbij zijn artikel omdat het niet allen inzicht geeft in de toenmalige beweging, maar ook in haar actiepraktijk die nog altijd aan de orde is. Bovendien blijkt waaruit de verschillen bestaan met het communisme en haar splinters.

TIEN ROODZWARTE JAREN
Door Jan Bervoets

Enige maanden geleden werd ik geconfronteerd met het boek Tien Rode Jaren, een poging tot geschiedschrijving van de ‘revolutionaire’ jaren ’70 door Antoine Verbij, voorzien van een uitvoerige inleiding en een overzicht van allerlei stromingen die in die periode de hoofdrol speelden (1). Hij wil hierin uitleggen hoe ‘(…) er tal van linkse activisten waren, die tot de gewapende strijd bereid waren, zich er ook logistiek op voorbereidden en een aantal keren ook tot knallende acties overgingen’(pagina 2). Zo vat hij de situatie samen: “Tientallen trotskisten, een paar honderd maoïsten, ongeveer evenveel anarchisten en enkele duizenden communisten waren er in de jaren zeventig heilig van overtuigd dat binnen onafzienbare tijd de macht [sic!] aan hen zou toevallen.”Tegenover deze ‘revolutionaire’ groepen, die een ‘ideologie’ volgen, stelt hij de ‘radicale’ bewegingen: de Kabouters, de wijkgroepen, de krakers, de vrouwenbeweging, die geen ‘ideologie’ kenden. Vanuit deze visie wordt een geschiedenis van losers beschreven, die ‘de donkere kant van de jaren zeventig uitmaken’.

De oplettende lezer van Buiten de Orde, die dit boek in de winkel aantreft, heeft natuurlijk in het inkijkexemplaar het eerst het hoofdstuk opgeslagen dat over het anarchisme gaat. En ja hoor: dat gaat voornamelijk over de Federatie van Vrije Socialisten van weleer, en voor meer dan 50% over de crisisjaren 1975 en later, waarin ikzelf ook een rol heb gespeeld.

Voor mij gaat het niet alleen om dit hoofdstuk maar ook om de beginjaren, waarin tal van situaties en mensen die ik zelf gekend heb worden genoemd. Dat was voor mij de afknapper, want ze bevatten de nodige slordigheden die men van iemand met een filosofische scholing en met zijn pretentieuze inleiding niet zou verwachten.

Bovendien blijkt uit het bovenstaande dat het tijd wordt om op het geheel een echte anarchistische visie los te laten, een visie waarmee ik ook het gedachtegoed van de Federatie zaliger gedachtenis zal proberen te verwoorden.

Mijn hoofdbezwaar tegen dit boek is de indeling van groepen, personen en daden. De schrijver, die het machtsverlangen van het revolutionair activisme wil aantonen door het te scheiden van het radicaal activisme, grijpt zelf naar de macht, omdat hij indeelt voordat hij op een behoorlijke manier omziet naar de historische context van de feiten.

En ook deze indeling is gebaseerd op een beschrijving van de theorievorming die de toets van mijn ervaringswereld en ook de toets van historisch onderzoek niet kan doorstaan. Het lijkt erop alsof de indeling eenmaal vastgesteld, verder op het gebied van geschiedschrijving alles geoorloofd is: data door elkaar gehaald, jaartallen verwaarloosd, feiten aan deze indeling onderworpen zonder hun eigen context.

Zo springen we van de hak op de tak via het Buro van Kraker van Rob Stolk (1970) naar de Grote Keijser (1979 en verder) en dan weer terug naar de Nieuwmarkt (1975), vaak zonder dat er jaartallen vallen. Want God heeft de dieren hun naam gegeven en ze ingedeeld volgens de schema’s van Linnaeus, en daarmee ook zijn Rede bevestigd.

En Verbij zal hetzelfde doen, omdat deze beestenwereld nu eenmaal leefde in de marge van een nostalgisch soort cultuurverschijnsel, dat wellicht zou zijn geslaagd als die schaduwzijden er nu maar niet waren geweest. De burger moest rustig kunnen slapen, zonder door ‘geweld’ opgeschrikt te worden. Hoe jammer toch dat ditzelfde geweld nu wel bestaat en zelfs gepredikt wordt door de macht...
Wat de Federatie nimmer heeft gewild en wat geen enkele anarchist wil, is juist die indeling zoals Verbij die zich heeft voorgesteld. Want de scheidslijn die hijs telt tussen ‘revolutionaire’ en ‘radicale’ actie bestaat in het anarchistische denken niet.

De ‘radicale actie’ is in zijn ideale vorm georganiseerde belangenstrijd van onderaf die de kiemen van de revolutie in zich draagt. Een voorbeeld van de ‘ideologische samenhang’ (term van Verbij) tussen ‘radicale’ actie en de anarchie is de Nederlandse kraakbeweging geweest. Zij is namelijk voortgekomen uit de inspiratie van anarchistische propaganda uit Engeland, onder meer door Colin Ward, die in 1963 zijn artikelen uit 1046 over de squatters movement samenvatte in het maandblad Anarchy.

Dit blad circuleerde bij De Vrije-groep toen Roel van Duijn en Rob Stolk daarbij waren. Organisatievormen als de squatters movement werden bewust gezien als een sociale beweging, die deel uitmaakt van de klassenstrijd, immers: de slachtoffers van woningnood van 1946 voerden met succes een directe belangenstrijd tegen de eigenaars van luxe vakantiewoningen en leegstaande hotels.

Daarom wilde de Federatie een organisatievorm, waarbij de ‘radicale activisten’ elkaar ondersteunden om tot een organisatievorm te komen. Niet op grond van eigen gedachtegoed de beweging een theorie opleggen, wel uit de actie tot theorievorming komen en zo tot een perspectief van de nieuwe samenleving komen.

De functionarissen van de Federatie waren volgens mijn opvattingen een studie- en propagandagroep, een forum voor uitwisseling van ervaring en kennis – geen leidende voorhoede.

Als ik de term discipline in de mond nam – en dat heb ik herhaaldelijk gedaan – dan ging het om zelfdiscipline van de functionarissen. Inderdaad deed bij ons de leuze van Arsjinov ‘eenheid van theorie, eenheid van actie, collectieve verantwoordelijkheid’ de rond.

Welnu, die kan alleen zo worden uitgelegd dat de leiding van de Federatie van onderaf geboren eenheid nooit of te nimmer in de weg mocht staan, dat zij hooguit stond voor het federalistisch beginsel van onderaf zoals Proudhon dat heeft beschreven. Want onze dictaten mochten de eenheid van de beweging van onderaf (of de eenheid van de arbeidersklasse, wat voor mij hetzelfde is) nimmer verstoren.

En als het anders is gelopen, zoals voor een deel uit het feitenmateriaal van Verbij is gebleken, dan moet dit als een tekortkoming van de Federatie worden uitgelegd en hebben wij stof voor discussie.
Waarin wij fundamenteel verschilden van de troskisten, maoïsten en communisten, kortom van marxisten en leninisten van allerlei slag, is dat wij wel voor organisatie waren, maar dat onze coördinatie nooit die van een voorhoede was. Of wij ons nu vrije socialisten, anarchisten of libertaire marxisten noemden, de Federatie heeft dit beginsel, ongeacht de controversen die er intern bestonden, uiteindelijk ook vóór de crisis van 1975 principieel afgewezen.

Als wij de geschiedenis van onze beweging nagaan moeten we vaststellen, dat de scheidslijn die er bestaat tussen de ‘radicalen’ die tot zelforganisatie overgingen en de Federatie het gevolg is van het valse beeld van de revolutie dat door onze ‘concurrenten’ van marxistisch-leninistische huize is opgeroepen.

Het grote probleem waarmee de Federatie te worstelen had, was dat zij intern, in vergaderingen tot ‘eenheid van actie’ wilde overgaan zonder dat er behoorlijke definities waren gesteld over een aantal vraagstukken.

Een van de kernvragen, waarmee ook Verbij worstelt is de vraag van het geweld en de ‘geweldloosheid’. Zo horen met name de acties van de ‘radicale’ antimilitaristische bewegingen als Onkruit tot de traditie van geweldloze weerbaarheid, en dat geldt tot aan 30 april 1980 ook voor het merendeel van de kraakacties en de verdediging van kraakpanden, inbraken, sabotage, barricaden, en zelfs het ‘kleine geweld’ van Joost van Steenis tegen directeuren van psychiatrische inrichtingen (najagen, ludiek bedreigen) horen tot het arsenaal van het verzet van Gandhi en van de Mobilisatie tegen den oorlog van Bart de Ligt.

Beide benaderingen gaan ervan uit dat het menselijk leven onaantastbaar is en dat daar de grens wordt gesteld. De discussie over de vraag ‘wat is geweld en wat niet’ wordt maar al te vaak opgelost door de vraag ‘wat is wettig en wat is ordeverstoring, mogen we wel illegaal handelen?’ Daarbij wordt aantasting van (diefachtige) eigendom of sabotage van schadelijke handelingen gelijkgesteld aan geweld aan personen en potentiële moord.

Een dergelijke definitie ontbreekt bij Verbij, die eerst het probleem van de ‘gewapende strijd’ heeft behandeld en daarmee de ‘radicale acties’ van Rara gelijk stelt. Verbij wil de jaren ’70 terug, maar dan zonder ‘geweld’.

Maar als hij dit blijft prediken zonder zelf een definitie te stellen, vrees ik dat hij op een goede morgen door een ochtendblad wakker wordt gemaakt met berichten over een of andere confrontatie met burgerschrik waarbij in ieder geval het politieel geweld hoogtij viert – zonder dat hij zelf in staat is partij te kiezen.

En dat vind ik in ieder geval slechter dan de positie van ‘de oudjes’ met wie ik als anarchosyndicalist aan de hand van de Spaanse Revolutie van 1936 de discussie over mogelijk gewapende strijd heb gevoerd. Hoe dan ook, wat geweld is en wat niet moeten wij ons niet door autoriteiten van het staatsgezag of door de media laten dicteren.

Binnen de anarchistische traditie hebben wij daarvoor onze eigen criteria, ontleend aan Tolstoi en Bart de Ligt, en dat levert nog altijd voldoende materie op om de autoritaire burger schrik aan te jagen.(2)
Naast de interne discussie over geweld en geweldloosheid was er binnen de beweging een tweede inhoudelijke discussie, die karakteristiek kan worden genoemd voor de jaren ’70. Dat was de discussie over de vraag of het anarchisme, naast het marxisme, een historisch-materialistische stroming was.
Op internationaal niveau getuigt hiervan de bloemlezing essays van Daniel Guérin ‘Voor een libertair marxisme’ (1970), waarin hij op grond van de ervaringen van de Franse Meirevolutie van 1968 pleit voor een opheffing van scheidslijnen tussen anarchisten, radencommunisten en antiautoritaire tendensen in het maoïsme en trotskisme (bijvoorbeeld de surrealistische dichter en beroepsrevolutionair Benjamin Péret).

De organisatievorm die Guérin voorstond was een samenwerkingsverband van locale activisten en collectieven in een federatief verband, waarbij de decentrale basis lag bij de locale autonome actie. Deze Organisatie van Revolutionaire Anarchisten, door Verbij in een totaal verkeerd daglicht gezet, voerde oppositie tegen de wat meer verstarde denkbeelden van de oude Franse Federatie, die zich in 1968 op een zijspoor had gemanoeuvreerd.

Guérin heeft dan ook heel vroeg gepleit voor een opheffing van scheidslijnen tussen de autonome belangenorganisaties en de anarchistische beweging. Zijn laatste grote daad was de organisatie van een conferentie van autonome stromingen met de oproep om tot een gezamenlijk platform te komen (1978). (3)

Nadat ik hierbij heb uiteengezet welke principiële verschillen er bestaan tussen de anarchistische Federatie en de marxistisch-leninistische voorhoedegroepen wil ik nu aan de hand van mijn eigen ervaring en die van mijn kameraden van indertijd weergeven hoever het beeld van Verbij naar mijn mening overeenkomst dan wel afwijkt van de historische werkelijkheid.

Verbij heeft gezocht naar een collectieve theoretische bagage van de studentenbeweging uit de jaren ’60 waaruit ik ook voortkom en die heeft geleid tot de revolutionaire stromingen van de jaren ’70. Het is bekend dat ik toen al anarchist was.

Mijn theoretische bagage was, naast onder meer Bakoenin, de analyse van de 22-maartbeweging in Parijs, mijn praktische syndicalistische ervaring die ik met Ton Regtien deelde. De kracht van de 22-maartbeweging en van de Nijmeegse bezettingen was gelegen in de gemeenschappelijke actie en de solidariteit die daaruit ontstond.

Hierbij zijn er ook werken geweest, die we – ongeacht partij of aanhang – allemaal lazen. Dat was niet zozeer het ‘Boliviaans dagboek’ van Che Guevara, zoals Verbij wil (dat is eerder het relaas van een ontgoocheling, zoals ook trouwens het 35 jaar later uitgegeven dagboek uit Congo), maar wel zijn boek ‘De guerrilla-oorlog’.

Van nog groter belang was het traktaat Revolutie in de revolutie van de geëngageerde journalist Régis Debray, die door de Boliviaanse regering een tijdlang in de gevangenis is gestopt wegens zijn betrokkenheid bij Guevara’s guerrilla.

Zijn opvatting dat de offensieve, verplaatsbare guerrillastrijd de juiste strategie is in tegenstelling tot de lokaal vastgepinde op zelfverdediging gebaseerde arbeidersstrijd werd in de gehele studentenwereld bediscussieerd. (4)

Debray is later als brave sociaal-democraat adviseur buitenland van president Mitterand van Frankrijk en een middelmatig romanschrijver geworden, en zijn analyse van de klassenstrijd in Bolivia rond 1968 is op grond van betere feitenkennis niet meer te verdedigen.

Maar de strategie van de guerrilla als offensieve tactiek zou – en daarin heeft Verbij wel een punt – ook in de anarchistische beweging de discussies bepalen. Oorspronkelijk behoorde de guerrillagedachte niet tot de leninistische strategie. Tijdens de Russische Burgeroorlog werd zij formeel als ‘banditisme’ afgewezen, al was het maar om het centrale gezag van het Rode Leger te rechtvaardigen.

Bij anarchisten ligt dat anders: nog in de laatste dagen van de Spaanse Burgeroorlog is de guerrilla serieus als anarchistisch strijdmethode naar voren gebracht. De samenhang tussen guerrilla en ‘voorhoede’ hebben wij nimmer erkend, en daarin verschilt het anarchisme fundamenteel van het maoïsme. Dat heeft ook voor aanhangers van het Arsjinovplatform gegolden.

Wij waren echter naïef wanneer wij rond 1974/75 contacten zochten met de Rode Jeugd of andere afsplitsingen van maoïstische groeperingen, omdat wij hoopten dat met een breuk met bepaalde organisaties ook het daarmee in verband staande stalinisme zou worden afgezworen.
De crisis die daaruit is ontstaan, is beschreven door Verbij; de nawerking is van groter invloed geweest dan uit zijn werk is op te maken.

Om dit duidelijk te maken moet ik mijn kritiek op Verbij’s indeling hervatten. Verbij worstelt met de cesuur die er in 1975 is ontstaan, en die heeft geleid tot een schijnbare overgang van het ‘revolutionair’ activisme naar het ‘radicaal’ activisme.

Die cesuur is verklaarbaar als we zien hoe in Amsterdam een prerevolutionaire situatie door de leninistische partijen van Verbij’s boekje om zeep werd geholpen. Het is het jaar van de Nieuwmarktactie, waarbij de belangenstrijd van de wijken, de krakers en de sociale strijd in Amsterdam samenvallen in een antiautoritaire strijd tegen het establishment.

De Nieuwmarktbuurt zelf kende op de Lastageweg het hoofdkwartier van de afdeling Amsterdam van de Federatie met de daarbij georganiseerde buurtcomités. Maar de andere wijkcomités waarin in handen van communistische en maoïstische cellen, die elkaar te vuur en te zwaard bestreden.
Uiteraard steunden de communistische cellen de CPN-wethouder Verhey, die de metro over de Nieuwmarkt wilde doorzetten. Feitelijk hadden alle leninistische cellen door het zaaien van verdeeldheid in de wijken en hun streven de straat slechts vrij te houden voor de exclusiviteit van hun dictaten, de solidariteit gebroken, die voor de overwinning op het establishment noodzakelijk is.

De confrontatie leidde tot het eerste manifeste optreden van het fenomeen ME, dat door de communisten met gejuich moet zijn begroet – want hun partij had immers de overwinning behaald, zoals Stalin dat had gedaan in Spanje en zoveel andere keren, toen de partij de kant van de bourgeoisie tegen de arbeidersklasse had gekozen. (5)

CPN-wethouder Verhey bleek de vleesgeworden belichaming te zijn van ‘het parlementarisme in zijn wezen en betekenis’, zoals Domela Nieuwenhuis dat ooit beschreef.
Met zijn optreden leerde hij aan krakers en wijkactivisten dat men in zijn strijd tegen het systeem niet meer op een politieke partij diende te vertrouwen, zeker niet als het op solidariteit en eenheid van actie aankwam.

Men wist dat men niets meer had te verliezen dan zijn ketenen. Over wat voor wereld men had te winnen, werd helaas niet meer nagedacht, de hoop was verdwenen.

Men laat zich geen knollen voor citroenen meer verkopen als men zich voor belangenstrijd tegen het systeem verenigt, maar men heeft met de hoop elk strategisch perspectief verloren om dat systeem omver te werpen: organisatie van solidariteit, een samenwerkingsverband met andere belangenacties, een vereniging die zich kan uitbreiden et cetera.

Vandaar dat de ‘radicale’ stromingen in de wereld van Verbij reformistisch lijken: hij associeert ze met de niet-revolutionaire, inderdaad bijna reformistische stemming die na 1975 begon te overheersen.
Dit stuk heeft duidelijk de omvang en de doelstelling van een recensie overschreden. Dat is opzet, want het boek is al in het anarchistisch tijdschrift DE AS 150 besproken. Ik heb er namelijk het nodige aan theorie aan toegevoegd.

Uit de geschiedschrijving van Verbij wordt namelijk voor de zoveelste maal bevestigd dat het prediken van revolutie op grondslag van een leiders- of voorhoedebeginsel tot mislukken is gedoemd. Doordat de achterban door de leiding wordt verraden of doordat de leiding zich ter wille van de eigen macht en daadkracht isoleert van de belangenstrijd.

En daarom staan in het verhaal van Verbij de anarchisten op de verkeerde plaats.

NOTEN

(1) Dit boek werd al eerder besproken door André de Raaij in DE AS 150, pagina’s 140/141.

(2) Ook al geloof ik persoonlijk niet in het belang van thematische strijd als door het Dierenbevrijdingsfront of Earth Liberation Front, ik protesteer ertegen dat zij door dit staatsgezag als ‘terroristen’ gelijk worden gesteld als Al-Qaeda of daarmee verwante (nazistische, stalinistische?) geesten die slechts vernietiging van ‘ongelovigen’ op het oog hebben.

(3) Het verschijnen van het blad Front Libertaire werd kort daarop door politieoptreden onmogelijk gemaakt, omdat het ruimte bood voor manifesten van een Autonome Kern voor de Actie van het Proletariaat (NAPAP), die tijdens een staking van Renault een geslaagde moordaanslag uitvoerde op de leider van de ‘veiligheidsdienst’ of ‘bedrijfspolitie’, een eenheid die zelf op hun beurt schoot. Toen gangsters op hun beurt van de naam van de NAPAP gebruik maakte, plaatste Front Libertaire een démenti van de NAPAP, die zich daarbij ook distantieerde van de tweede generatie van de RAF.

(4) De werkelijkheid is als volgt. Terwijl Guevara in de bergen de Indiaanse boeren probeerde te mobiliseren, woonden de arbeiders van de tinmijnen in hun dorp Santa Clara, waar zij door middel van vakbondsstrijd voor hun belangen opkwamen. De dictator Barrientos wilde voorkomen dat er een verbinding ontstond tussen het optreden van Guevara, die overigens bij de Indiaanse bevolking geen poot aan de grond kreeg, en de mijnwerkers. Zijn adviseur Klaus Barbie, een door de CIA gedoogde SS-er, adviseerde de arbeiders dan maar fysiek uit te schakelen, wat gebeurde op de beruchte Nacht van St. Jan. 24 juni 1968. Voortaan produceerde Bolivia geen tin meer, maar coca, waarvoor later de indianen zouden worden ingeschakeld. Barbie is later nog door een socialistische regering aan Frankrijk uitgeleverd om daar te worden berecht wegens zijn gruwelen in Marseille en Lyon, maar de industriële productie was met de verdere uitroeiing van de arbeiders door een verdere SS-dictatuur onder Hugo Banzer onmogelijk gemaakt. Men kan dus gelijkaardige valse argumenten als Debray tegen de arbeiders van San Juan gebruikte, aanvoeren tegen Guevara, die immers door zijn guerrilla de uitroeiing van de arbeiders heeft uitgelokt.

(5) Verbij geeft een ander voorbeeld van de dubbelhartigheid van de CPN, die in 1974 zelf aanzette tot een Maagdenhuisbezetting tegen de verdubbeling van collegegelden. Toen bleek dat burgemeester Samkalden dan onmiddellijk zou overgaan tot gewelddadige ontruiming en wethouder Verhey dan in diskrediet zou komen, werd de actie door de kaders onmiddellijk met een etorische ‘overwinningsverklaring’ in de kiem gesmoord’ (pagina 92).

(Met dank aan Albert Ledder)


Powered by Greymatter