Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

08/28/2005: "Code van de straat ondermijnt democratie"

Mischa de Winter mag gelden als een libertaire pedagoog die niet schroomt stelling te nemen in maatschappelijke discussies.
Streetgang (12k image)
Eén van zijn aandachtspunten betreft de ontwikkeling van democratische gezindheid van jongeren. Hieronder volgt een bewerkte versie van de rede die hij onlangs uitsprak bij aanvaarding van het ambt van hoogleraar op de facultaire Langeveld-leerstoel, voor de studie van maatschappelijke opvoedingsvraagstukken, aan de Universiteit Utrecht.
Klik op meer.

Een democratische samenleving kan haar grondprincipes niet per decreet afdwingen. Overtuiging is de enige remedie. Opvoeding en onderwijs behoren daarom óók gericht te zijn op de vormen van democratische persoonlijkheden.

Een democratie-gen is nog niet ontdekt. Willen mensen goed kunnen functioneren in een democratie, dan zal er dus opgevoed moeten worden.

Volgens de onderzoekers van het Nationale Vrijheidsonderzoek worden de grondprincipes van de democratie in Nederland nog steeds breed onderschreven. Maar er is ook bezorgdheid.
Driekwart van de respondenten vindt dat ouders hun kinderen te weinig leren om als actief en verantwoordelijk burger in de samenleving te functioneren. Driekwart vindt ook dat ouders kinderen beter moeten leren om respectvol met de verschillen tussen mensen om te gaan.

Bijna 70 procent vindt dat ook scholen tekortschieten in de opvoeding tot actief burgerschap.
Nu heeft een meerderheid niet per definitie gelijk, zeker niet in een democratie, maar in elk geval roepen zulke bevindingen interessante vragen op voor de wetenschappen die zich met opvoeding en onderwijs bezighouden.

Laat ik een voorbeeld geven. In een samenleving met grote culturele, religieuze en politieke verschillen is het cultiveren van tolerantie van levensbelang, wat zeg ik: van ‘samenleef-belang’. Dat zal niemand ontkennen, maar de vraag is wel welk type tolerantie wij kinderen dan zouden willen bijbrengen.

In principe zijn er drie soorten tolerantie die je kinderen kan bijbrengen, zegt de Amerikaanse politiek filosofe Meira Levinson.

In de eerste plaats kun je ze leren om het vreemde van anderen verdragen, omdat die anderen er zelfs niks aan kunnen doen dat ze anders zijn: “Gereformeerden zijn nu eenmaal stijfburgerlijk…”

In de tweede plaats kun je kinderen leren om anderen te tolereren ‘omdat we in principe allemaal hetzelfde zijn’. Mensen uit verschillende culturen vertonen vaak heel vergelijkbare emotionele reacties; bijvoorbeeld bij een onrechtvaardige behandeling of ingrijpende levensgebeurtenissen zoals scheiding, verlies of ouder worden.

En in de derde plaats kan je kinderen inzicht geven in de achtergronden van verschillen in gedrag, omdat juist begrip een voorwaarde is om niet elk verschil als vijandig of bedreigend te ervaren.
Aan de drie opties van Levinson wil ik een vierde toevoegen.

Als belangrijk element mis ik namelijk het bieden van een voor iedereen geldend denkkader dat de randvoorwaarden voor tolerantie aangeeft.

Zonder zo’n kader wordt tolerantie immers wel erg interpersoonlijk ingevuld, terwijl het toch ook om randvoorwaarden gaat die met de democratische rechtsstaat te maken hebben.

Ik denk dan aan de drie gouden regels die Fennema en Maussen onlangs hebben geformuleerd voor het publieke debat binnen het kader van zo’n rechtsstaat, regels die naar hun mening door de overheid gehandhaafd moeten worden: ten eerste mag niemand in het openbaar oproepen maatschappelijke conflicten en meningsverschillen met geweld op te lossen.

Ten tweede mag niemand ertoe oproepen om groepen burgers uit te sluiten van de politieke gemeenschap, en ten derde mag niemand in het publieke debat anderen hun menselijke waardigheid ontzeggen.

Dergelijke regels zijn ook heel goed aan kinderen te leren, bijvoorbeeld door ze te gebruiken als een soort grondwet van de school, zodat iedereen weet binnen welke kaders de vrije interactie tussen individuen en groepen zich kan afspelen.

Het cultiveren van tolerantie bij kinderen is behoorlijk ingewikkeld. Ik vrees dat we in de praktijk de kwestie vaak toedekken, in de hoop dat er dan geen kwestie meer is. Maar terugdeinzen voor moeilijke pedagogische vragen is niet goed.

Natuurlijk gaat het om zaken die emoties oproepen, zeker bij kinderen en jongeren die toch al gauw de neiging hebben om in scherpe “wij-zij’-termen te denken. Mijn zorg betreft vooral het feit dat we veel van die normatieve kwesties impliciet laten, terwijl ze zich in de dagelijkse opvoedings- en onderwijspraktijk steeds nadrukkelijker manifesteren.

De filosofe Martha Nussbaum zegt dat elke vorm van onderwijs bij leerlingen het vermogen moet cultiveren om zich te kunnen inleven in de ervaringen (inclusief de ellende) van anderen. Ik ben het helemaal met haar eens, in een democratie is dat een broodnodige kerncompetentie.

De belangrijkste vraag is of onze huidige onderwijs- en socialisatiecontexten zich daarvoor wel lenen.
Want hoe moet je witte kinderen uit Tuindorp nou leren om zich te verplaatsen in de Marokkaanse kinderen uit Overvecht, als ze elkaar vrijwel niet tegenkomen?

Waar organiseren wij leerzame contexten, waarin opgeschoten Lonsdalers en Turkse jongeren hun overigens zeer vergelijkbare problemen te lijf kunnen gaan, in plaats van elkaar? Het is tot dusverre nauwelijks een onderwerp waarover het jeugdbeleid zich druk lijkt te maken. En de hamvraag: hoe leer je kinderen tolerant te willen zijn?

Tegenkrachten en tegenvoorbeelden zijn er immers genoeg in de samenleving, in de media, de politiek, op straat.

Mijn hypothese is dat je dat alleen kunt bereiken via het scheppen van situaties waarin tolerant gedrag voor kinderen een aantrekkelijk perspectief vormt, of indien gewenst, wenst oplevert.

Zelf ben ik erg gecharmeerd van structurele uitwisselingsprojecten tussen scholen met een heel verschillende samenstelling, zoals de wereld- en vriendschapsscholen die de laatste jaren zijn ontstaan.
De scholen zelf zijn even gesegregeerd als andere, maar in projecten werken kinderen van de verschillende scholen samen.

Met elkaar leren omgaan, elkaar leren begrijpen en respecteren is daar een expliciet doel van het curriculum geworden. Of het ook werkt, moet worden onderzocht.
In 2004 heb ik in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een studie gemaakt over te doelen van opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid. Het essay mondde uit in een pleidooi voor een democratisch-pedagogisch offensief.

Opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid zijn zich onder invloed van allerlei sociaal-culturele ontwikkelingen vrijwel exclusief gaan richten op de persoonlijke belangen van jeugdigen. Het individu is de maat der dingen geworden.

Wat ontbreekt – en dat vind ik zorgwekkend – is het ‘algemeen belang’ als opvoedingsdoel. Het is namelijk lang niet vanzelfsprekend dat een geslaagde individuele ontwikkeling ook altijd leidt tot sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, tot actieve maatschappelijke participatie of tot gedrag waarbij het individu het eigen belang afweegt tegenover, en indien nodig ondergeschikt maakt aan het belang van de gemeenschap.

Dat ‘algemeen belang’ laat zich in deze tijd heel goed definiëren als het instandhouden en ontwikkelen van de democratie, van democratisch burgerschap. In tegenstelling tot de dictatuur kan een democratische samenleving haar grondprincipes niet per decreet afdwingen.

Daarom is een democratisch-pedagogisch offensief gewenst. Overtuiging is de enige remedie.
Opvoeding en onderwijs behoren daarom óók gericht te zijn op de vorming van democratische persoonlijkheden voor wie het zoeken naar de balans tussen individuele en sociale behoeften een tweede natuur is.

Er bestaat veel belangstelling voor dit democratisch-pedagogisch offensief. Maar behalve veel steun en interessante initiatieven klinkt ook kritiek.

Bijvoorbeeld van een Amerikaanse vriend en collega, de historicus Mike Zuckerman, die werkzaam is bij de Universiteit van Pennsylvania in Philadelphia. Zijn reactie was verbluffend.

“Een prachtig verhaal”, zei hij, “maar als ik aan kinderen in getto’s van Philadelphia zou leren wat jij wilt dat ze leren, dan kan ze dat zonder overdrijving de kop kosten.” Hij wees mij op een boek van een van zijn collega’s daar, de socioloog en etnograaf Elija Anderson: The Code of the Street: decency, violence and the moral life of the inner city.

Nadat ik het gelezen had, liever gezegd verslonden, want het is een fantastisch boek, moest ik Mike gelijk geven. In mijn pleidooi voor een democratisch-pedagogisch offensief had ik mij niet voldoende rekenschap gegeven van het feit dat de manier waarop mensen zich gedragen vaak heel functioneel is in de dagelijkse context waar ze mee te maken hebben.

Je kunt mensen wel ergens van proberen te overtuigen, je kunt ze goede wetenschappelijk verantwoorde informatie geven, maar óf ze er daadwerkelijk ook iets mee gaan doen, is afhankelijk van de vraag of zij het gevoel hebben dat ze er in hun specifieke situatie ook iets mee opschieten. Elija Anderson beschrijft het leven van ouders, kinderen en jongeren in de zwarte getto’s van Philadelphia.
Omdat in dit soort arme wijken agressie en geweld aan de orde van de dag zijn, lopen de bewoners, kinderen en jongeren in het bijzonder, grotere risico’s.

Van jongs af aan leren ze hoe ze zich tegen die gevaren kunnen wapenen. De ‘Code van de Straat’ is een complex systeem van informele regels dat enerzijds bepaalt hoe mensen zich in het openbaar ten opzichte van elkaar gedragen, en anderzijds voorschrijft hoe de reactie moet zijn als je uitgedaagd wordt.

Het centrale element van de code is ‘respect’. Respect dwing je af door het vermogen en de bereidheid om geweld te gebruiken. Kinderen leren van jongs af aan dat ze tough moeten zijn; om je te kunnen redden, moet je een grote mond hebben en vooral goed kunnen vechten.

Het is duidelijk dat zaken als empathie en het democratisch leren omgaan met verschillen hier absoluut contra-indicaties zijn, wat evenzeer geldt voor soldaten en voetballers.

Hetzelfde verhaal hoorde ik overigens laatst van Rotterdamse speeltuinwerkers: “Leuk hoor, meneer De Winter, samen conflicten oplossen, maar hier staan de ouders erbij en die moedigen hun kinderen aan: sla hem op z’n gezicht, Kevin.”

Gerichte vorming van democratisch burgerschap is een belangrijke dam tegen de code van de straat.
Maar er is meer nodig dan tegen mensen zeggen dat ze zich anders moeten gedragen. Dat andere gedrag moet ook een duidelijk perspectief met zich meedragen.

Nog zo’n prachtig boek is Onzichtbaar Ouders van de weekbladjournalist van Vrij Nederland Margalith Kleijwegt. Zij doet daarin verslag van haar gesprekken (en de pogingen daartoe) met ouders van leerlingen op een vmbo-school in Amsterdam-West, de buurt waar ook Mohammed B. opgroeide. De voornamelijk Marokkaanse en Turkse ouders die Kleijwegt bezocht, maken een gedemoraliseerde indruk.
Uit hun verhalen spreekt veel onbegrip over de Nederlandse samenleving, wantrouwen, het gevoel als tweederangsburger te worden behandeld.

Vooral het isolement van veel moeders valt op. Ze hebben vaak geen idee wat hun kinderen op school of op straat uitspoken, sommigen hebben zelfs geen idee op welke school de kinderen zitten, en wat voor een school dat is.

De meesten spreken nauwelijks Nederlands en komen zelden of nooit met Nederlanders in contact.
Het lijkt of in Amsterdam-West een parallelle samenleving is ontstaan. De buitenwereld is boos en gevaarlijk. Men staat met de rug naar elkaar toe.

Voor de opvoeding en het onderwijs van de kinderen heeft dit desastreuze gevolgen. Veel te hoge, en dus irreële verwachtingen, onvoldoende contact met de school, zodat er niet gezamenlijk wordt opgetrokken als kinderen dreigen te ontsporen, kinderen die door hun ouders niet begeleid kunnen worden bij hun socialisatie in de Nederlandse samenleving.

Niet alleen de ouders zijn gedemoraliseerd. Dat geld ook voor veel van de docenten. Jongeren laten zich minder gauw demoraliseren. Die zoeken hun steun bij gelijkgestemde vrienden, en samen zijn ze vooral boos op Nederlanders en steken ze hun minachting niet onder stoelen of banken: “Jij bent maar een gewoon agentje, man. Je doet wel stoer, maar zonder uniform ben je niks.” Of: “Ach man, je bent leraar geworden, omdat je niks anders kan. Leraren zijn losers, dat weet iedereen. Je bent gewoon slap, man, ben je soms homo?”

Het grootbrengen van kinderen in onveilige, vaak gewelddadige buurten schept een grote mate van angst en wantrouwen bij ouders. Ouders in zo’n situatie reageren door zich terug te trekken, en door zeer autoritair en bestraffend op te treden.

Dat is een adaptieve strategie die wordt gevoed door angst en onzekerheid, en die er vervolgens weer toe leidt dat kinderen zich op straat steeds agressiever gaan gedragen. Opvoedingsondersteuning kan een hulpmiddel zijn om ouders te helpen zich te wapenen tegen de sociale giftigheid van buurten.
Maar voor de ouders heeft dat alleen maar zin als die ondersteuning ook daadwerkelijk leidt tot verbetering van de leefsituatie: minder gevaar en verleiding voor de kinderen op straat, leren hoe je je stem kan laten horen als dingen mis zijn in de buurt, hoe je moet aankloppen bij de verantwoordelijke instanties, et cetera.

Om het sociale gif zélf te bestrijden, zijn natuurlijk grote investeringen in de sociale, fysieke en economische infrastructuur nodig. Gedrag kan niet los worden gezien van de omgeving. De implicatie is dat gedrag dan ook niet gemakkelijk zal veranderen als de omgeving waarin dit ontstaan is, hetzelfde blijft.

Hoe sterk bevolkingsgroepen en individuen zich cultureel ook van elkaar kunnen onderscheiden, wanneer het gedrag vanuit een adaptief perspectief wordt bekeken, blijken ze aanzienlijk minder te verschillen.

De uit de ecologie afkomstige gedachte van ‘adaptatie aan beschikbare hulpbronnen’ reikt een denkkader aan waarin mensen gelijkwaardige wezens zijn wier gedrag begrepen moet worden in relatie tot hun bestaansmiddelen, hun mogelijkheden om daar verbetering in aan te brengen, en de barričres die ze daarbij tegenkomen.

Een kind meer empathie, en ouders meer democratische opvoedingsvaardigheden bijbrengen in een sociale omgeving die zulk gedrag ontmoedigt of zelfs afstraft, heeft niet veel zin. Wat wél zin heeft, is het scheppen van kaders – liefst samen met betrokkenen – die democratisch gedrag genereren.

(Met dank aan Albert Ledder voor de tekst)


Powered by Greymatter