Index pagina
Geschiedenis
Ook leuke sites
Zeg het anders priveWij kunnen er helaas ook niets aan doen!
 





 

 

04/12/2005: "Tien rode jaren; links radicalisme in Nederland, 1970-1980"

Onlangs verscheen het boek "Tien rode jaren; links radicalisme in Nederland, 1970-1980" van de journalist Antoine Verbij.
TienRodeJaren (13k image)
Albert Ledder was in die periode betrokken in de anarchistische beweging en de Federatie van Vrije Socialisten (uitgever van De Vrije Socialist) die ook in het boek aan bod komen. Hij stelde onderstaande tekst ter beschikking van De Vrije.
Klik op meer!

‘ANARCHISTEN’

uit het boek Tien Rode Jaren – Links Radicalisme in Nederland 1970 – 1980 van Antoine Verbij, Ambo/Amsterdam, 264 pagina’s, 2005, ISBN 90 263 1748 4, euro 17,95.

Geen maoïsme zonder organisatie. De maoïsten zagen zich als een gegroepeerd opererende voorhoede die deels zichtbaar, deels verborgen de massa’s moest voorgaan in de revolutionaire strijd. Intern vormden ze een gesloten, gedisciplineerde groep, die zich afschermde van de buitenwereld en soms sekteachtige trekken vertoonde.

Bij de trotskisten lag dat anders. Ook voor hen gold: geen trotskisme zonder organisatie. Maar zij waren tegelijkertijd actief in vele andere organisaties en waren voortdurend op zoek naar bondgenoten voor hun politiek. Ook al verlangden de trotskisten van elkaar een grote inzet, de betrekkelijk open structuur van hun organisatie vrijwaarde hen voor het afglijden naar een sekte.

Weer anders, lag dat bij de anarchisten. Anarchisme en organisatie verdragen elkaar niet. Elke poging anarchisten te verenigen in een overkoepelende organisatie is tot mislukken gedoemd. In de jaren zeventig leek de anarchistische Federatie van Vrije Socialisten inderdaad meer op een inloophuis dan op een hechte organisatie. Ze zou het rode decennium niet overleven.

De lichtste vorm van organisatie is de samenscholing rond een blad. Elke nieuwe stroming in het anarchisme betekende automatisch een nieuw tijdschrift. Zo was dat in de geschiedenis en zo was dat in de jaren zeventig. De anarchisten betraden het rode decennium met twee bladen: het onafhankelijke De Vrije en het met de Federatie van Vrije Socialisten verbonden Recht voor Allen. Federatie en blad werden gedomineerd door het Noordelijke Gewest, dat ook het kampeerterrein Tot Vrijheidsbezinning in Appelscha overheerste. We noemden ze de ouwetjes, zegt Hans Ramaer, destijds van De Vrije.

Nadat eind jaren zestig het anarchisme mede dankzij Provo, Kabouters en antimilitaristen een enorme toeloop van jonge belangstellenden kende, besloot men in een optimistische bui de rijen te sluiten. De Federatie zette haar deuren open en De Vrije en Recht voor Allen gingen in 1971 op in het blad De Vrije Socialist, een naam die herinnerde aan de anarchistische jaren van Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Het optimisme hield niet land stand. In 1972 richtte een deel van de redactie van De Vrije Socialist al weer een nieuw blad op, De AS (De Anarcho-socialist), dat nog altijd bestaat. In 1974 verlieten ‘de ouwetjes’ de club en begonnen opnieuw met Recht voor Allen. Het anarchisme dat in die bladen werd beleden, was van nogal beschouwelijke aard. Daar blonk met name De AS in uit. Het blad reflecteerde op de maatschappelijke ontwikkelingen in het taaie marxistische jargon waarvan in die beginjaren zeventig elke linkse politieke discussie was doordesemd. Maar anders dan in de maoïstische en trotskistische blaadjes ontbrak in De AS de strijdretoriek. Men schreef visies in plaats van deviezen.
Anarchistische visies op het marxisme, het kapitalisme, het imperialisme, het terrorisme, het leninisme, het feminisme. De wereld leek uit louter ismen te bestaan. Actie, strijd en revolutie waren als van een andere planeet. “Als anarchisten deden we niet zo veel”, bevestigt Hans Ramaer, eindredacteur van De AS. “Wij haakten aan bij andere initiatieven en plakten daar niet meteen het etiket “anarchisme” op. Ik zat in het Spanje Komité, deed dingen voor de antikernenergiebeweging, dat soort zaken.”

Toch kwam ook in De AS af en toe het revolutionaire ongeduld aan de oppervlakte. De uitgever van het blad, de journalist Boudewijn Chorus, schreef in nummer 7 van de jaargang 1974: “Anarchisten die de konsekwenties willen trekken uit hun scherpe antiparlementaristiese analieses en inzien dat zij met het formuleren van antireformistiese kritiek, met het propageren van zelfbeheer, met de lange mars door de gevestigde instituten, met de stakingen, de straatakties en bezettingen alléén het kapitalisme niet kunnen verslaan, zullen vroeg of laat de keuze moeten maken tussen legale en illegale strijd.”

Dat was een taal waar de redactie van De AS van in elkaar kromp. Het ereredactielid Anton Constandse, de bezonnenheid zelve, moest niets hebben van illegaliteit en geweld. “In onze ogen was er geen enkele connectie tussen anarchisme en gewapende strijd”, zegt Hans Ramaer. “Als ik even Clara Wichman mag citeren: ‘hoe kun je in hemelsnaam met geweld een vrije samenleving nastreven’.” Daar begonnen inmiddels heel wat jonge anarchisten anders over te denken.

Bijvoorbeeld in Assen. Op het Drentse land formeerde zich eind jaren zestig een groep jongeren, middelbare scholieren nog, die het actievoeren in de aderen zat. Onder elkaar noemden ze zich de ‘Vriendenkring Jan Willem Friso’, naar de kazerne in Assen. Ze deden wat actievoerders overal in het land zoal deden. Ze colporteerden met antimilitaristische blaadjes, eisten tijdens een kerkdienst aandacht voor Vietnam, maakten een boekje over het imperialisme.

Goeroe van het clubje was Jans Snoeijink. “Een bijzonder figuur, hij zag er een beetje negentiende-eeuws uit”, herinnert Jan Keulen zich, de latere Volkskrant-journalist. “We zaten in zijn arbeidershuisje in Swiggelte soms dagenlang te discussiëren. Over hoe de maatschappij moest worden ingericht. We wilden geen kapitalisme en geen communisme, maar wat dan? Iets nieuws dus. Anti-autoritair, libertair en socialistisch.

Snoeijink en Keulen werden actief in de Federatie van Vrije Socialisten. In de woelingen van de vroegere jaren zeventig richtten jongeren her en der in het land afdelingen van de Federatie op.
Het waren merendeels studenten met een afkeer van communistische en maoïstische organisaties en een voorkeur voor een spontane, anti-autoritaire manier van opereren. De afdelingen functioneerden als discussieclubs en actiecentra. Ze namen zelden zelf initiatieven maar participeerden in uiteenlopende comités en actiegroepen. Iemand noemde de Amsterdamse afdeling van de Federatie ooit een ‘uitzendbureau voor activisten’, een typering die ook kan gelden voor de levendige afdelingen in Utrecht, Nijmegen en Groningen.

In die afdelingen waren veel mensen te vinden die sympathiseerden met de gewapende revolutionaire strijd, niet alleen die in de Derde Wereld maar ook die in nabije landen als Ierland, Italië en Bondsrepubliek. Toen Jan Keulen enige tijd in Nijmegen studeerde organiseerde hij daar een congres over anarchisme, waar het volgens een bezoeker ‘gonsde van de RAF- en IRA-sympathieën’. “De gewapende strijd was voortdurend onderwerp van discussie”, bevestigt Keulen. “Dat was het al op de middelbare school. En het speelde ook in Nijmegen en later in Groningen. Het leidde in de Federatie tot allerlei breuken en slaande deuren.”

Leden van de Federatie onderhielden contacten met de extremistische Rode Jeugd en na de opheffing daarvan met de Rode Hulp, Jans Snoeijink en Jan Keulen maakten deel uit van de Groningse afdeling van de Rode Hulp. “Als je met de trein Groningen uit rijdt, zie je na een paar honderd meter links nog steeds leuzen staan die ooit door ons gekalkt zijn. Ze gaan over ‘de “isolatiefolder” van de RAF-gevangenen’.

De Rode Hulp was aanvankelijk een bovengrondse organisatie ter ondersteuning van politieke gevangenen waar ook ter wereld. In haar acties kwam al snel de nadruk op de Duitse Armee Fraktion te liggen. De ondersteuning bestond voornamelijk uit voorlichting, discussieavonden en mediacampagnes. In de verschillende afdelingen van de Rode Hulp gingen echter ook stemmen op om de RAF actiever te helpen door een ondergrondse organisatie op te zetten die de Duitse strijders logistiek zou kunnen ondersteunen. Verderop in dit hoofdstuk valt te lezen hoe de Rode Hulp zich inderdaad ontwikkelde tot een januskop-achtige organisatie met een boven- en een ondergronds gezicht. Hier is van belang te weten dat het debat over illegaliteit en gewapende strijd door de anarchistische leden van de Rode Hulp werd meegenomen naar de Federatie.

Marjolein ’t Hart, ooit deel uitmakend van de Assense vriendenkring van Jan Keulen, woonde namens de afdeling Groningen vergaderingen bij van de Federatieraad. “Daar zaten mensen die absoluut niets te maken wilden hebben met de Rode Hulp en met Boudewijn Chorus. Maar er waren ook mensen die vonden dat je als anarchist wel degelijk serieus moet nadenken over de methoden van de gewapende strijd, over celvorming en illegaliteit.” Volgens Jan Keulen ging het om de vraag of de Federatie een verbond van ethisch bevlogen individuen was of een revolutionaire organisatie. “Dat laatste werd voorgestaan door Boudewijn Chorus en dat was ook onze insteek. We dachten aan een Organisatie van Revolutionaire Anarchisten met een openbaar niveau, een politiek niveau en een logistiek niveau. We meenden dat het die kant op moest en dat er veel mensen waren die er net zo over dachten.”

Inmiddels waren Keulen en zijn Groningse kameraden erin geslaagd het landelijk secretariaat van de Federatie naar zich toe te trekken. Voordien berustte het secretariaat bij de eigenzinnige Amsterdammer Albert Ledder, een fel tegenstander van de ideeën van Boudewijn Chorus. Ledder maakte zich onmogelijk door zijn eigen mening voor die van de Federatie te verkopen en door het onbewezen verhaal te verspreiden dat Chorus debet was aan de arrestatie van Luciën van Hoesel van de Rode Jeugd.

Maar ook al lag het landelijk secretariaat nu bij Marjolein ’t Hart, de Federatie veranderde er nauwelijks door. ’t Hart: “De Federatie was en bleef een beetje een slap en ongedisciplineerd zooitje. Al had ik wel bewondering voor zo iemand als Jan Bervoets, de internationaal secretaris, die telkens weer al bemiddelaar optrad en bijvoorbeeld Ledder verdedigde tegen Chorus. Een aardige man, archivaris in Den Haag. Tussen de spullen die hij archiveerde, had hij het anarchistische archief verstopt.”

Keulen, Snoeijink, ’t Hart en nog een paar mensen in de regio besloten een ondergrondse cel op te zetten. ’t Hart: “We hadden het idee dat er elk moment een Derde Wereldoorlog of een rechtse coup kon komen. We vonden dat je daar op voorbreid moest zijn. In de Tweede Wereldoorlog waren de mensen helmaal niet voorbereid.” Keulen: “Het moest vroeg of laat tot een confrontatie komen. We zagen wat er in Europa gebeurde, in Spanje, Griekenland, Duitsland. Er moest een structuur komen, een cellenstructuur die het liefst heel schimmig en ongecontroleerd was, ook voor onszelf. Het was een nogal megalomaan project. We zagen onszelf als revolutionairen. We hadden het gevoel dat we veel invloedrijker waren dan de mensen dachten.”

Keulen herinnert zich gesprekken met Luciën van Hoesel en anderen uit de hoek van de Rode Jeugd.
“We spraken over stadsguerrilla en gewapende strijd. Over samenwerking en hoe je dan georganiseerd moest zijn.” ’t Hart: “Wat we bijvoorbeeld deden was onderzoeken waar we kameraden die in het buitenland in moeilijkheden waren geraakt, de grens over zouden kunnen smokkelen.” Lachend: Ik heb eens een hele vakantie besteed aan het in kaart brengen van de grens met België.

De cel was geen lang leven beschoren. Was ’t Hart voordien een druk bezette beroepsactiviste, onder meer opererend vanuit het door Keulen opgezette Politiek Kafé in de Groningse Gelkingestraat, na de celvorming keerde ze het actievoeren de rug toe. “Je deed niet meer mee aan demonstraties, je colporteerde niet meer met blaadjes, je ging niet meer naar landelijke manifestaties. Daar haalde je je neus voor op, daar was je veel revolutionair voor, dat was iets voor gewone mensen. Er zat een hoop grootheidswaan in. We gingen ervan uit dat er spontane opstanden zouden komen. En wij zouden dan de voorhoede vormen. Wij zouden er door onze netwerken voor zorgen dat de opstandige massa’s niet in de pan zouden worden gehakt. Daar hadden we heel diepe discussies over. Maar uiteindelijk deden we niets en viel het helemaal stil. Ik ben op een gegeven moment gewoon weer geschiedenis gaan studeren.”

Ook voor Jan Keulen was het snel afgelopen. “Ik vertrok in 1976 naar Spanje voor journalistiek werk. Door wat ik daar meemaakte, kreeg ik voorgoed mijn bekomst van het anarchisme.” Alleen Boudewijn Chorus ging nog enige tijd door op het pad van de Organisatie van Revolutionaire Anarchisten. Chorus heeft altijd geweigerd lid te worden van de Federatie van Vrije Socialisten. Hij was een soort éénmanstroming of zo men wil: een éénmanscel in de Nederlandse anarchistische beweging. Hij pleitte voor de verbinding met het anarchisme met de klassestrijd, een idee dat in die tijd in anarchistische kringen niet erg populair was. Zo’n verbinding vereist een daadkrachtige organisatie.

Ideeën over aard en vorm van zo’n organisatie ontleende Chorus aan de Russische anarchisten Machno en Archinov, die in de jaren twintig door de bolsjevieken in ballingschap waren gedreven. Hij kreeg er de handen van de Nederlandse anarchisten niet voor op elkaar. In het voorwoord bij de vertaling van een van Archisnovs geschriften klaagt hij over ‘de verloedering van het georganiseerde anarchisme in Nederland’.

Die zou onder meer blijken uit de gewoonte van de Federatie om iedereen die het organisatievraagstuk aan de orde stelde, ‘konsekwent en via uiterst doorzichtige manoeuvres in verband te brengen met terrorisme, sabotage, politieke moord & doodslag’. Nu had de Federatie daar wel enige reden toe.

Chorus profileerde zich in de jaren zeventig als fervent verdediger van de Rote Armee Fraktion, al gaf hij daarbij steevast als zijn mening te kennen dat er in Nederland, waar altijd nog sprake was van enige dialoog tussen de staat en extreem links, vooralsnog geen aanleiding was de wapens ter hand te nemen. Ondertussen onderhield hij wel contacten met groepen die zich op het ondergrondse werk voorbereidden (de groep-Keulen) of daadwerkelijk al in de gewapende strijd waren verstrikt (de Rode Jeugd).

In zijn journalistieke werk en in het drukwerk dat hij uitgaf (bijvoorbeeld Ontwerp van de stadsguerrilla uit 1972 en Als op ons geschoten wordt…uit 1978) volgde hij de strategie die in de linkse pers niet ongebruikelijk was: hij plaatste de daden van de gewapende strijders tegen het licht van de meedogenloze achtervolging die politie, justitie en politiek op de terroristen hadden ingezet.
Desalniettemin heeft hij zich altijd heftig verzet tegen de betiteling ‘sympathisant van de RAF’.
“Ik heb daar in mijn werk altijd veel last van gehad”, zei hij toen hij weigerde aan dit boek mee te werken. “Maar tegenwoordig eerlijk gezegd niet meer, ik heb zelfs voor Elsevier gewerkt.”

Het georganiseerde anarchisme is in de jaren zeventig niet van de grond gekomen, noch in de vorm van Chorus’ Organisatie van Revolutionaire Anarchisten, noch in die van een Federatie van anarchistische actiecentra. De Federatie had op haar hoogtepunt wellicht een honderd leden, maar aan het einde van de jaren zeventig waren die vrijwel allemaal uitgezwermd naar de nieuwe sociale bewegingen, vooral naar de kraakbeweging, de antimilitaristische beweging en de beweging tegen kernenergie. In 1980 werd de Federatie opgeheven.

Maar het anarchisme leefde voort, zowel in kringen van radicale actievoerders als in het meer intellectuele Umfeld van het blad De AS. Ook ná de jaren zeventig heeft de zwarte vlag met de cirkel en de ingeschreven A in geen enkele linkse demonstratie ontbroken. Het ongeorganiseerde anarchisme is sterker gebleken dan het overgeorganiseerde maoïsme.


Powered by Greymatter